Utrechts Nieuwsblad, 11 april 1978
De bevrijding van Nederland was amper drie maanden een feit toen de eerste Nederlandse verzetsroman al was voltooid: Pastorale 1943, geschreven door Simon Vestdijk. Prominente ex-verzetsstrijders als Theun de Vries en Jef Last waren er razend over. Prominente letterkundigen echter bleken een en al lof en oordeelden het werkstuk de Prozaprijs van de Gemeente Amsterdam waard. Nu, ruim 30 jaar later, heeft Wim Verstappen Pastorale 1943 verfilmd, maar de kans dat ook daarmee gemoederen in heftige beweging worden gebracht, lijkt minimaal. Verstappens films is een futloos substraat van een meesterlijk boek.
Toch had Vestdijk-fan Verstappen het niet slecht gezien toen hij in Pastorale 1943 de mogelijkheden voor een aantrekkelijke bioscoopfilm had herkend. Dat was al 15 jaar geleden gebeurd, maar Wim heeft eens gezegd dat hij zichzelf en zijn filmerschap de tijd wilde gunnen om te rijpen, voor hij dit project ter hand zou nemen. Maar er is kennelijk nog te weinig rijpingsproces aan te pas gekomen, want het is pijnlijk om vast te stellen dat de film het zeer aflegt bij het boek. Dat is extra eigenaardig, omdat Verstappen de feiten uit het boek heeft gevolgd met een hondentrouw die respectabel is. Te respectabel.
Verstappen heeft onlangs tijdens een gespreksavond van de Vestdijk Kring zijn hekel uitgesproken over dirigenten die denken dat ze zo nodig Beethoven moeten verbeteren. Iets dergelijks heeft hij als scenarioschrijver en regisseur van Vestdijks Pastorale juist niet willen doen. Helaas is het echter zo gesteld dat literatuur zich nóóit letterlijk laat verfilmen, alleen de gebeurtenissen laten zich min of meer letterlijk verfilmen. Maar niet de manier waarop ze waren beschreven. En daarmee begon de ellende van deze teleurstellende filmonderneming.
De eerste Nederlandse verzetsroman namelijk onderscheidde zich in zeer positieve zin van de overvloed aan latere oorlogsliteratuur door de afstand die Vestdijk (die zelf toch meer oorlogsslachtoffer is geweest dan de gemiddelde Nederlander) zo snel al te nemen wist van wat er zich vijf jaar lang aan onderdrukking en verzet in Nederland had plaatsgegrepen. Zijn Pastorale leverde een schaalverkleining van het ‘vaderland in oorlog’ en bracht Nederlandse lulligheid in kaart, boerse kortzichtigheid en kleinmenselijke onbekwaamheid om zich effectief teweer te stellen tegen de efficiënte verdrukkingsmechanismen van de Duitsers. Helden kwamen er in het boek niet voor; waar sprake was van daden die moed vereisten, bleek desnoods de moed wel op te brengen, maar niet het verstand om moed aan te wenden tot iets nuttigs.
Het verhaal gaat ruwweg over een Duitse razzia op een Betuwse boerderij met onderduikers en over een daarop volgende strafcampagne door de ondergrondse op de veronderstelde verrader. Die gebeurtenissen zijn nauwgezet naar Verstappens film overgeheveld, maar eigenlijk zijn die gebeurtenissen helemaal niet zo interessant. Ze werden bij Vestdijk ook pas bijzonder door de briljante half-ironische verteltrant, deels bekeken vanuit de hoofdpersoon (Schults, een Nederlandse onderwijzer van Duitse afkomst, actief in het verzet), waardoor in het laatste deel van het boek via deze hoofdpersoon een soort langgerekte epiloog kon worden geleverd vanuit de strafgevangenis (het Oranjehotel) in Scheveningen.
Tragikomedie
Vestdijks roman was magnifiek van constructie. Die constructie heeft de film niet overleefd, althans niet op een zinnige manier. Verstappen is er niet in geslaagd in de eerste twee delen van de triptiek voldoende belangstelling te kweken voor het feitelijke hoofdpersonage, waardoor de afronding van de film (het indringendste stuk uit dit boek) op drijfzand blijkt gebouwd en dientengevolge als een kaartenhuis in elkaar dondert. Achtenswaardige acteerinspanningen van Frederik de Groot als de onderwijzer ten spijt.
De eerste twee delen van de film houden de belangstelling redelijk vast, op basis van vooral de tragikomische optredens van de verzetsgroep. Maar omdat Vestdijks, niet in film vertaalbare, satirische behandeling van ook de meest serieuze passages in Verstappens regie ontbreekt, ontstaat in de observaties niet die heel speciale melange van spot, mededogen en pijnlijke betrokkenheid die het boek zo uitnemend maakte.
Alleen de mafheid werkt nog steeds, waardoor het eigenaardige geval zich voordoet dat niet onderwijzer Schults de belangstelling centreert, maar veel eerder de werkelijk perfect door Leen Jongewaard geacteerde figuur van een bloeddorstige pianostemmer uit het dorpsverzet. Terecht heeft Verstappen de komische onderdelen (ook al vormen ze de sterkste kant van de film) niet de boventoon willen laten voeren, maar waar hij dus niet-komisch in de weer was, is hem het materiaal volkomen uit handen geglipt.
De pijnlijkste voorbeelden daarvan kom je tegen in de ronduit mallotige schoolscènes, waar Sylvia Kristel een tragische rol speelt als lerares Engels, die door collega’s en leerlingen met de nek wordt aangekeken omdat ze het houdt met een Duitse officier. Men komt er pas achter dat ze heeft gefungeerd als spionne voor de Engelsen als ze door de SD wordt opgehaald.
Arme Sylvia
In de wetenschap welke rol Sylvia was toebedeeld en op basis van een zeer tot mijn verbeelding sprekende opnamefoto (de arrestatiescène) die vorig jaar al in de kranten werd gepubliceerd, had ik me veel voorgesteld van de dramatische impact die deze zijlijn uit het scenario kon hebben. Het blijkt nu dat Verstappen die kansen niet heeft uitgebuit. Hij had het zich best kunnen permitteren om hier als dirigent een beetje voor Beethoven te spelen en op verantwoord filmische wijze iets te compenseren van de specifiek literaire attracties die hij onmogelijk kon meepikken.
Verstappen heeft dat niet gedaan en heeft zo ook zijn kans om, via de gratis tot zijn beschikking staande internationale vedette Kristel, zijn film een ietsje extra allure te verschaffen gewoonweg verknald. Zelfs binnen een ‘literair-integere’ opzet heeft hij haar rol stiefvaderlijk behandeld en maakte die zelfs tot een platitude via een vals tussenshot: een droombeeld vanuit het overspelig bed, dat Sylvia even in een zeilboot laat genieten met haar eigenlijke minnaar uit het communistisch verzet.
Lichtschaarste
Op technische punten maakt Pastorale 1943 een zeer matige indruk. De perspapieren meldden van geluidsman Kees Linthorst dat hij zo lastig is, aangezien hij altijd de hoogste kwaliteitseisen stelt. Het zal best, maar de verstaanbaarheid van de film is bar en boos. Cameraman Marc Felperlaan wordt op de schouders gehesen omdat hij een in de filmtechniek unieke prestatie heeft geleverd met een praatscène waarin je het langzaam buiten donker ziet worden. Uniek zal het wel zijn geweest en moeilijk ongetwijfeld ook, maar het resultaat ziet er afschuwelijk lelijk en onprofessioneel uit. Felperlaan komt trouwens opvallend vaak in de problemen in scènes met lichtschaarste. Maar het is niet uitgesloten dat deze ontevredenheid eigenlijk op rekening geschoven dient te worden van het filmlaboratorium. Maar als eenvoudige bioscoopganger heb je daar geen boodschap aan. Wel aan het feit dat de film Pastorale 1943, om wat voor redenen dan ook, danig teleurstelt.
Wrijven in een vlek
Zie hier: Twee recensies uit 1978 van Wim Verstappens film Pastorale 1943.
Mijn terugblik zou nu kort mogen zijn, want de tweede recensie is eigenlijk al een nawoord bij die bespreking van een week eerder. Toen ik het eerste artikel had gepubliceerd, was ik er een paar dagen later ontevreden over. Het gevoel dat ik niet fair had geoordeeld, namelijk al te zeer vanuit mijn toevallige kennis van de roman waarop de film was gebaseerd. Maar wat zou mijn mening zijn geweest als ik dat hele boek niet had gekend? Ik ging er nog eens voor zitten.
Verstappen had zich een jaar eerder op superieure wijze geprofileerd als kenner van Vestdijk met de op diens essay De toekomst der religie gebaseerde legendarische bomaanslag op de Nederlandse Filmkeuring. En nu greep de cineast die vooral met tamelijk platvloerse erotica had naam gemaakt ineens naar de non-fictie van de auteur die volgens Roland Holst sneller schreef dan God kon lezen. Om deze regie-prestatie te wegen greep ik meteen uit mijn eigen boekenkast waar ik immers net zo goed een halve meter Vestdijk had staan en dat wilde ik laten weten ook.
Als methode is het ook niet per definitie verkeerd om een film te spiegelen aan het literaire voorbeeld. Het kan voortreffelijk inzicht geven in de bedoelingen van een cineast. Wat is gebruikt en wat weggelaten? Wat zijn blijkbaar de prioriteiten, de bedoelingen van de filmer? Waar ligt dan zijn macht en waar zijn onmacht? Alleen zou je zo’n benadering als recensent moeten hanteren als gereedschap, niet als doorslaggevende waardeschaal. En je wilt zeker geen Willem Frederik Hermans zijn die – geraadpleegd door de NRC voor een mening over deze film – Verstappens Pastorale afserveerde omdat daarin een pond kersen een totaal ander bedrag deed dan er in zijn herinnering voor werd gevraagd.
Maar ik vond dus dat ik het in eerste instantie te eenzijdig had aangepakt en helemaal als ik bedacht dat waarschijnlijk minder dan één procent van het potentiële filmpubliek überhaupt zelfs maar van die ruim dertig jaar oude roman had gehóórd. Daarom probeerde ik met dat tweede stuk iets recht te zetten.
Wim Verstappen – we mochten elkaar – heeft me daar later voor gecomplimenteerd. Had hij nog nooit eerder meegemaakt, zei hij, een criticus die zichzelf durft te corrigeren. Echter. Was de erkentelijkheid van Wim eigenlijk wel terecht? Als ik nu beide stukken teruglees, meen ik van niet. Dat mekkeren vanwege het boek gaat in het tweede stuk gewoon door. Ik krijg er bijna de slappe lach van. Was je iets nobels van plan, maak je het per saldo alleen maar erger. Het werd wrijven in een vlek.
Het boek was beter dan de film, je hoort het vaak, al te vaak. Want het kan wel degelijk heel goed uitpakken. Ik meen dat Nederlandse films als Max Havelaar, Als twee druppels water, Een vlucht regenwulpen, Van de koele meren des doods, De aanslag, Karakter, zelfs het onderschatte De ontdekking van de hemel – ik doe maar een greep – wel degelijk voldoen aan de eerder literair al gelegde standaard. In sommige gevallen – bijvoorbeeld Het meisje met het rode haar – stijgen ze er zelfs bovenuit. En dat is dus met de onderhavige Vestdijk-film zeker niet het geval.
Toch is achteraf Pastorale 1943 mij eigenlijk steeds dierbaarder geworden als een zeer sympathieke, met afstand beste film van die al weer vijftien jaar geleden overleden Wim Verstappen. In elk geval is de Pastorale heilig vergeleken met dat andere Vestdijk-opus van hem, Het verboden bacchanaal. Want in die pas écht mislukte film… Ai!
Pastorale ’43 ontwapenende oorlogsfilm
Utrechts Nieuwsblad, 21 april 1978
Gisteren zijn de openbare voorstellingen ingezet van Wim Verstappens film Pastorale 1943. Vorige week, daags na de perspresentatie, is er in deze krant reeds uitvoerig over geschreven maar het is, vind ik, zinvol er nog een keer op terug te komen, uit onvrede met de hoofdindruk die het toen geplaatste artikel op mezelf heeft achtergelaten. Een week is er voorbij gegaan en Verstappens film is gedurende die tijd bij voortduring door mijn hoofd blijven rondspoken. Dat kan op zichzelf al worden opgevat als een teken dat de recensie van vorige week zuurder is geweest dan de film eigenlijk verdiende. Want films die een dergelijke werking op je hebben, kom je warempel niet precies iedere week tegen. En wat we sowieso verzuimd hebben mee te delen, was dat Pastorale 1943 hoe dan ook een ontzaglijk sympathiek werkstuk is.
Mijn allereerste reactie op Verstappens film is er een geweest van teleurstelling, en die teleurstelling, op gronden waarover ik het nog nader zal hebben, werd breedvoerig gemeten en hield nauw verband met de kennis van het boek van Simon Vestdijk waarop Verstappens film gebaseerd is. Waar ik eigenlijk niet meer aan toe was gekomen, is een poging tot bespiegeling van de indruk die Pastorale 1943 kan maken op mensen die het boek niet kennen, en dat zal vermoedelijk toch zeker 90 procent zijn van het publiek dat de film gaat zien. En het is heel wel denkbaar dat die mensen in grote mate wel degelijk – en niet zonder goede redenen – dik tevreden zullen zijn over Verstappens regie-inspanning, omdat men dan immers niet kan vaststellen op welke punten de kansen die het boek bood, door de regisseur werden aangegrepen dan wel veronachtzaamd.
Vestdijks roman, over de amateuristische wijze waarop er anno 1943 in de provincie verzet gepleegd werd tegen de Duitse onderdrukkers, had een opbouw als drieluik. Verstappen heeft zich heel trouw aan de roman betoond in de wijze waarop hij (het scenario werd door hemzelf geschreven) de gebeurtenissen verfilmd heeft. Voor zover ze verfilmd werden althans, want mijn hoofdbezwaar tegen de film is dat het derde (en literair sterkste) deel uit het boek tot pakweg tien minuutjes werd ingedikt, waarna het happy-end (de gevangen gezette verzetsman blijkt op futiele gronden te zijn gedetineerd en wordt eventjes vrij gepraat door zijn broer, die officier is bij de SS) in de film wel heel erg een deus-ex-machina-effect gekregen heeft. Ook zij die Vestdijks roman niet kennen, zullen het waarschijnlijk moeilijk hebben met zo’n finale.
Een ander bezwaar tegen de film, gemeten aan de roman, is dat het hoofdpersonage (de onderwijzer van Duitse afkomst maar actief in het verzet) wel erg flets gekarakteriseerd wordt. Als je trouwens ziet hoe ongegeneerd hij zit te spioneren (bunkers artistiek natekenen als de Duitsers daar nog aan het werk zijn) dan dient zijn intelligentie ook aanmerkelijk lager te worden ingeschaald dan waar Vestdijks beschrijving aanleiding voor gaf. Vreemd is het ook dat een Gestapo-agente, die hem betrapt heeft bij het natekenen van voor de verdediging van vitaal belang zijnde sluizen, zich later enkel herinneren kan (als ze uit erotische wraakgevoelens de onderwijzer gaat aangeven) dat de man zich laatdunkend over Hitler had uitgelaten.
Op dit soort punten heeft Verstappen zich vergaloppeerd in onhandigheden, waarvan ook vrijwel alle scènes die zich in de school afspelen nog als voorbeelden te noemen zijn. Met name het acteerpeil in de leraarskamer is zeer onbevredigend, plus het feit dat er van Sylvia Kristels rol (lerares Engels, verguisd door omgeving vanwege verhouding met Duitse officier, tot later blijkt dat ze gefungeerd heeft als spionne voor de Engelsen) veel meer te maken had moeten zijn, desnoods buiten het boekje.
Ik acht dit geen geringe manco’s aan Verstappens werkstuk. Het uitgesproken technische bezwaar tegen de geluidskwaliteit moet ik intrekken, want de slechte verstaanbaarheid schijnt te zijn veroorzaakt door de geluidsapparatuur in het Amsterdamse Tuschinski-theater, waar de persvoorstelling gegeven werd.
Tegenover deze minpunten staat evenwel de wijze waarop Verstappen de eerste twee delen van Vestdijks roman – in grote lijnen – heeft aangepakt. Het wel en wee op het onderduikadres op de Betuwse boerderij. Het verraad dat plaats vindt, en het uitvoeren door de plaatselijke verzetsgroep van een potsierlijk te noemen strafexecutie (eigenlijk zijn het er twee) van een ten onrechte verdachte NSB-drogist.
Aandoenlijk
Ten nadele van Verstappens film zal op te merken zijn, dat de figuur van de joodse onderduiker (gespeeld door Hein Boele) veel minder reliëf gekregen heeft dan in Vestdijks roman, maar daar staat wel een hele galerij sterkere rollen tegenover. De boer (Jaap van de Merwe), de boerin (Manon Alying), hun dochter (Reneé Soutendijk), de drogist (Bernard Droog) worden gaaf getypeerd, en dat is nog sterker het geval met het gilde der verzetsplegers, in de personen van Leen Jongewaard, Sacco van der Made, Pieter Lutz en Coen Flink. Vooral Jongewaard is ronduit perfect, zoals we vorige week ook al hebben vastgesteld.
Het is met de scènes waarin deze verzetslieden opereren, dat de film Pastorale 1943 de hoogste ogen gooit. Als je Vestdijks roman niet kent, is het misschien mogelijk op unieke wijze gefrappeerd te raken door de manier waarop getoond wordt hoe Nederlanders zich onwennig en met inbreng van al hun kleinmenselijke eigenaardigheden gedwongen zien in een soort van heldenrol, die alleen maar potsierlijk is te noemen, maar wellicht heel levensecht en aandoenlijk.
De verdienste van deze typering moet weliswaar in de eerste plaats geschreven worden op rekening van romancier Vestdijk (van wie het onvoorstelbaar is dat hij in 1945 al op zo’n relativerende wijze op de oorlogsrealiteit kon terugblikken), maar het is Verstappens grote verdienste geweest, dat hij deze stof voor verfilming ontdekte en vervolgens heel aannemelijk aan het celluloid heeft toevertrouwd. Hoe dan ook is Pastorale 1943 een ontwapenende film geworden.
De film pretendeert volgens zijn begintekst ook niet anders dan typisch Nederlandse eigenaardigheden in kaart te brengen, zoals die met name in extreme situaties extra duidelijk aan het licht kunnen komen: ‘We zijn geen natie van echte helden en daar mogen we ons gelukkig om prijzen,’ zo stelt Verstappen het ongeveer. Het is deze filosofische weerspiegeling van gematigdheid, ironie en doorzicht van de Nederlandse beperktheden, die Wim Verstappen uit Vestdijks roman bevredigend heeft weten te destilleren en te vertalen in een film die qua intentie Nederlandser is dan de meeste Nederlandse films, en bijzonder genoeg – wat er ook aan mankeren mag – om er in elk geval naar te gaan kijken.