Een nieuwe film van Carol Reed
Carol Reed heeft het zich moeilijk gemaakt door na De derde man opnieuw een film te maken over een stad, waarin twee werelden met elkaar in botsing komen, dit temeer waar de intriges zich in eenzelfde richting bewegen. Moeilijk, omdat het na een voortreffelijk werkstuk als The Third Man niet eenvoudig is op hetzelfde niveau voort te gaan. Moeilijk ook, omdat een vergelijking tussen deze film en Berlijn… Oostzone (The Man Between) nu eenmaal niet achterwege kan blijven.
In Berlijn… Oostzone worden we opnieuw geconfronteerd met de duistere figuren, die na de oorlog in zovele landen zijn opgedoken. Thans zijn het de kidnappers, die mensen vanuit West-Berlijn naar Oost-Berlijn trachten te ontvoeren. Een van hen, de ex-advocaat Ivo Kern, komt onder invloed van een Engels meisje, dat bij haar broer in West-Berlijn logeert, tot andere gedachten. Hij besluit gevangenschap in de Westelijke sector te riskeren en met de Engelse, die in Oost-Berlijn terechtgekomen is, te ontvluchten. Deze vlucht lukt ten dele; Ivo wordt door de grenspatrouille neergeschoten.
Wil men per se de vergelijking met The Third Man trekken, dan moet men constateren dat Berlijn… Oostzone niet zo verrassend werkt, of liever kan werken als zijn voorganger. Maar voegen we daar onmiddellijk aan toe, dat Reed hetzelfde vakmanschap demonstreert en dat zelfs een bepaald onderdeel, n.l. de achtervolging aan het slot, naar onze smaak beheerster en minder sensationeel is uitgewerkt dan de jacht, waarmee De derde man besluit. Carol Reed heeft opnieuw niet de kans gemist met een gevoelige camera mensen en zaken te observeren, hen in een geheel nieuw en ander licht te plaatsen en hen zodoende om te bouwen tot materiaal voor zijn compositie. Wanneer b.v. het Engelse meisje gevolgd wordt door een auto, waarin haar ontvoerders zitten, dan ontstaat er een dreigend moment, waarin de besneeuwde auto tot een roofdier wordt, dat gereed staat zijn prooi te bespringen. Zo zijn er momenten te over, waarin met zuiver filmische middelen een spanning wordt bereikt, die niet nalaat diepe indruk te maken. Er zijn ook fragmenten, waarin Reed het blijkbaar niet zonder een dialoog heeft kunnen stellen, die de achtergrond van de gebeurtenissen moet verklaren. Maar zelfs daar weet hij, zonder weliswaar tot een tegenspel tussen woord en beeld te geraken, toch met de camera een zekere sfeer te scheppen.
Dankbaar heeft hij voorts wederom gebruikgemaakt van het natuurlijke decor van de soms spookachtig aandoende stad, zij speelt haar rol in dit drama, dat een thriller is, die echter tevens indringend de tragiek van een door twee mogendheden verdeelde stad voelbaar maakt. Op zich genomen is Berlijn… Oostzone dus zeker een film, die als gaaf werkstuk de aandacht dubbel en dwars verdient, die na De derde man het element van de verrassing om een nieuw en interessant gegeven niet kon bezitten, maar die zich dan altijd nog overtuigend onderscheidt van vele middelmatige en ondermaatse producten, waarmee we week in week uit worden geconfronteerd.
Uit: De Tijd, 27 februari 1954
Berlijn… Oostzone
Weer een beeld van een door politieke tegenstellingen verscheurde stad
Carol Reed riskeert vergelijkingen met The Third Man
Carol Reed heeft betere films gemaakt dan The Third Man, maar géén van zijn films is zo’n publiek succes geworden als de toch ook zeer knappe schildering van het door politieke tegenstellingen verscheurde Wenen. Met zijn nieuwe film Berlijn… Oostzone (The Man Between) heeft Carol Reed het risico willen lopen van een vergelijking met zijn meest populaire film. Berlijn… Oostzone immers dwingt om vele redenen ertoe haar te stellen naast The Third Man en beider kwaliteiten tegen elkander af te wegen. Daar is o.a. het thema; ook Berlijn… Oostzone is weer een thriller, waarin, behalve de gebruikelijke elementen, een internationale stad, die beheerst wordt door de grens tussen Oost en West, haar rol vervuld. De intrige komt in het kort hierop neer dat één van de duistere figuren, zoals die in alle landen na de oorlog zijn opgedoken, zich bezighoudt met mensensmokkel. Deze ex-advocaat, Ivo West, ontvoert mensen van de Westelijke zone van Berlijn naar het onder communistisch beheer staande gebied. Onder invloed van een Engels meisje, dat in West-Berlijn bij haar broer logeert, komt de kidnapper tot het besluit zijn misdadige praktijken op te geven en in de Westelijke wereld een nieuw leven te beginnen. Samen met het meisje, dat ook naar de Oostelijke sector was gebracht, tracht hij de vrije wereld te bereiken. Hij wordt bij deze poging echter neergeschoten…
Dankbaar heeft Reed in zijn nieuwe film gebruikgemaakt van het spookachtige decor, dat door de kapotgeschoten straten en wijken van Berlijn wordt gevormd. Van het begin af aan ervaren we de dreiging van de stad. Met groot vakmanschap plaatst Reed zijn met spanning geladen beelden in een geheel, dat niet nalaat diepe indruk te maken. Er zijn in de film fragmenten te over, die weer eens een overduidelijke demonstratie vormen van het talent en het gevoel van deze Engelse filmer. Noemen we slechts de manier waarop een auto, waarin ontvoerders zitten tot een roofdier wordt dat elk moment zijn prooi kan bespringen. Wijzen we op de schijnbaar luchtige scènes op de ijsbaan en vooral op de grote achtervolging aan het slot. Naar onze smaak is deze jacht beheerster en met meer smaak verbeeld dan de dito in The Third Man.
En zo zijn we dus ook aan de vergelijking toegekomen. Haar trekkend zouden we het zo kunnen stellen dat Berlijn… Oostzone niet de verrassing biedt, of liever kan bieden, waarvoor The Third Man heeft gezorgd. De verrassing om een nieuw, interessant genre. Op het stuk van de filmerij echter doet Berlijn… Oostzone over het geheel genomen beslist niet voor The Third Man onder. In bepaalde opzichten overtreft zij zelfs de Weense geschiedenis, op andere punten moet zij het tegen haar afleggen. Bijvoorbeeld daar waar Reed een verklarende en verhalende dialoog te hulp roept, o.a. bij het gesprek tussen Ivo en het Engelse meisje in de kamer, waarin het paar tijdens de achtervolging is gevlucht.
Uit: Filmforum #42, 1954
Naschrift Fred Bredschneyder
Ik behoor tot wat de politica Haya van Someren ooit de “derde-man-generatie” heeft genoemd. Dat zijn mensen, die aan hun ‘volwassen’ leven begonnen in de tijd dat Nederland er, na de ellende van de oorlogsjaren, weer bovenop begon te komen. Op dat voor hen cruciale moment was er ineens het Engelse The Third Man, scenario: Graham Greene, regie: Carol Reed.
De allereerste keer dat ik hem zag, tijdens een persvoorstelling in Tuschinski in 1949, werd ik meteen al door een hele hoop dingen tegelijk gefascineerd. De rolbezetting bijvoorbeeld. Orson Welles, de Amerikaan die sinds Citizen Kane bij de filmliefhebbers geen kwaad meer kon doen, speelde de rol van Harry Lime; zijn landgenoot Joseph Cotton die van Holly Martins, Harry’s vriend. De Engelse acteur Trevor Howard was Major Calloway. Verder verschenen er allerlei gezichten op het doek, die ik tijdens de oorlog in menige Duitse en Oostenrijkse film had gezien: Paul Hörbiger. Annie Rosar. Siegfried Breuer, Erich Ponto en Hedwig Bleibtreu. Anna, de vriendin van Harry Lime, werd gespeeld door Alida Valli, “het meisje met het dwars over haar voorhoofd vallende haar” uit een paar Italiaanse films van ook alweer een jaar of zes terug. Tenslotte was er Ernst Deutsch, die in 1933 als jood Duitsland had moeten verlaten en via allerlei kanalen in Hollywood was terechtgekomen. Een internationaal, bijzonder gemêleerd, maar uiterst attractief ensemble.
Niet minder attractief was de door Anton Karas gecomponeerde en gespeelde citer-muziek, die praktisch de hele film door te beluisteren viel en die al gauw een eigen leven ging leiden. De inderhaast vervaardigde 78-toerenplaat met, zó van de soundtrack overgenomen, het ‘Harry Lime motief’ en de ‘Café-Mozart-wals’, ontbrak in geen enkele jukebox en vloog de winkels uit. Anton Karas werd een beroemdheid. Hij ging met zijn citer op tournee. In Amsterdam speelde hij in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Op het programma stond allerhande Weense muziek, maar het hoogtepunt van zijn optreden waren de melodieën uit The Third Man. Toen mijn vrouw en ik in 1957 door één van de wijndorpen rond Wenen wandelden, stonden we opeens voor ‘Zum dritten Mann’, de ‘Weinschenke’ die Karas aan de film had overgehouden. Daar moest natuurlijk een foto van worden gemaakt.
Er zijn meer films, waaraan ik dierbare herinneringen heb. Soms heeft het me enorm gespeten, dat ik ze heb teruggezien. De dierbare herinneringen bleken immers op van alles en nog wat betrekking te hebben, behalve op de film zelf. Die was bar oninteressant.
Er zijn ook klassieke films, die van groot belang zijn geweest voor de ontwikkeling van de filmkunst. Als je die ziet, kun je je dat, verstandelijk beredeneerd, ook wel voorstellen, maar ze doen je niets. Noch het één noch het ander geldt voor The Third Man. Hij was in 1949 perfect, hij is perfect gebleven en… ik ben eraan verslaafd geraakt. In de loop van de jaren heb ik gemerkt, dat ik niet de enige ben. Dat maakt deze vorm van verslaving minder uniek, maar niet minder ‘ernstig’!
Graham Greene schreef het scenario voor de film langs een omweg. Eerst zette hij een ‘gewoon’ verhaal op papier. Hij had die omweg nodig omdat, naar hij verklaarde, “je het gevoel moet hebben, dat je over méér materiaal kunt beschikken dan je nodig hebt.”
Zijn uitgangspunt was een losse zin, die bij eens op de achterkant van een envelop had gekrabbeld, in de hoop er ooit iets mee te kunnen doen. Die zin luidde: “Een week geleden, toen zijn kist werd neergelaten in de aarde, had ik voorgoed afscheid genomen van Harry, zodat ik ongelovig zijn kant uit staarde, toen hij zonder enig teken van herkenning langs me heen liep.” Die zin is de sleutelscène van de film geworden, waarin Holly Martins de door hem dood gewaande Harry Lime weliswaar niet ziet lopen, maar in een portiek ziet staan. Ik word het kennelijk niet moe om naar deze scène te kijken. Of naar het gesprek tussen Harry en Holly in het Reuzenrad en de achtervolging door de riolen van Wenen. En al helemaal niet naar het lange, maar tot de laatste seconde obsederende, eindshot: Nadat Harry Lime voor de tweede maal, maar nu echt, is begraven, verdwijnt Anna voorgoed uit het leven van Holly, die verliefd op haar was geworden. Het is niet onwaarschijnlijk dat The Third Man inmiddels alweer door de televisie is uitgezonden. Misschien is hij zelfs in de bioscoop vertoond. In het laatste geval ben ik zeker gaan kijken, want tegen het witte doek kan geen televisiebeeld op. Voor de hoeveelste keer ik hem dan heb gezien? Ik weet het niet. Je houdt toch ook niet precies bij hoe vaak je eet, drinkt of slaapt!
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #13, in de Filmkrant #112, mei 1991