7 – Eerste CinemaScopefilm The Robe in ons land

De normen in het gedrang?

Mogen we bepaalde berichten uit het buitenland geloven, dan is de “gewone” stereoscopische film, die enige tijd terug opnieuw een periode van experimenteren leek te gaan doormaken, alweer verdrongen door het panoramasysteem CinemaScope, dat in korte tijd een enorme populariteit schijnt te hebben verworven en waarvan we het eerste product, de verfilming van Lloyd C. Douglas’ roman The Robe (De mantel) thans ook in ons land, in Amsterdam en Den Haag, kunnen gaan zien. Feit is, dat de paar stereoscopische films, die we de laatste tijd in ons land opgediend kregen, nu niet bepaald een publiek succes zijn geworden, terwijl het van de andere kant de schijn heeft, dat het eerste CinemaScope-product wél grote belangstelling zal trekken. In hoeverre het nieuwe systeem inderdaad een even grote revolutie voor de ontwikkeling van de filmkunst zal betekenen als de komst van de geluidsfilm b.v., valt nog moeilijk te voorspellen. Toch geeft The Robe reeds enigszins een indruk van hetgeen het systeem aan winst en verlies voor de film kan betekenen.

Zeer interessante geluidstoepassing

Om eventuele verwarring te voorkomen zij er nogmaals op gewezen dat de opnamen bij CinemaScope geschieden met behulp van de zogenaamde hypergonarlens, een uitvinding van de Franse professor Henri Chrétien, welke lens de eigenschap heeft het beeld gecomprimeerd op te nemen. Bij de projectie wordt dit gecomprimeerde beeld door middel van een rectificatielens “uitgesmeerd” over een zeer breed scherm, in het Amsterdamse Flora-theater twaalf meter en in het Rialto-theater negen meter. Het geluid bereikt ons door meerdere luidsprekers, die op verschillende plaatsen achter het doek en in de zaal zijn opgesteld.

De massascènes en landschapopnamen van The Robe vormen door de enorme afmetingen van het beeld ongetwijfeld een in eerste instantie imponerend schouwspel. De dieptewerking is wel niet zo groot als bij de “gewone” stereoscopische films, maar toch ontstaat bij tijd en wijle inderdaad de illusie dat men door de gebeurtenissen wordt omringd. Is dit echter een winst? Dient men zich bij vele gewone films te ergeren aan de toneelmatige tafereeltjes, thans moet men Henry Koster, de maker van The Robe, het verwijt maken dat hij ons evenzeer toneel voor de ogen tovert, zij het dan dat dit toneel de afmetingen heeft van een openluchttheater.

De minder bevolkte scènes gaan aan hetzelfde euvel mank. Men komt er toe de ogen te richten op de persoon die aan het woord is, een activiteit die de schouwburgbezoeker siert, de filmliefhebber echter vreemd moet zijn. Want waar blijft het spel mét de beelden, het ritme van de op zich niets betekenende maar in hun samenhang de expressie dienende voorstellingen? De keren dat in The Robe het kostbare uitdrukkingsmiddel, de close-up, aan de orde komt, bijvoorbeeld waar de smartelijke kop van de Griekse slaaf wordt getoond, voelt men de ruimte, die er uiteraard links en rechts van het hoofd overblijft, als een pijnlijke leegte aan.

Interessant is het stereophonische geluid. Niet zozeer omdat de stem van de van links naar rechts wandelende acteur nu inderdaad “meeloopt”, want ook deze mogelijkheid beweegt zich in de toneelmatige sfeer, maar wel wanneer het geluid ergens van buiten het doek schijnt te komen en aldus b.v. kan preludiëren op het volgende beeld.

Wat de inhoud van The Robe betreft kunnen we kort zijn. Henry Koster heeft de geschiedenis van de Griekse slaaf die Christus’ lijfrok in zijn bezit krijgt, behandeld zoals de Amerikanen meerdere malen dergelijke onderwerpen verwerkt hebben. Dat wil zeggen dat hij de kans, gevechten, slavenmarkten, met min of meer pikante tafereeltjes, en grote massascènes te vertonen, niet onbenut heeft gelaten. Dat wil tevens zeggen dat er op gegeven momenten grote koren in religieuze gezangen uitbarsten en dat er ook op nog andere manieren zo nu en dan kitsch wordt gepresenteerd. Soms wordt het weleens smakeloos; zo bij de nachtmerrie van de Romeinse tribuun, die Christus’ kruisiging in zijn slaap weer meemaakt. Anderzijds dient toegegeven dat Henry Koster zich toch ook wel een zekere zelfbeheersing heeft opgelegd en met name de nauwelijks getoonde Christusfiguur met piëteit behandelt. Daarenboven is hij vakman en talentvol genoeg om ook voor werkelijk boeiende fragmenten te zorgen.

De omvang waaraan een dagbladrecensie nu eenmaal gebonden is verbiedt ons nog uitvoeriger op deze eerste CinemaScope-film in te gaan, zodat we thans moeten volstaan met te concluderen dat afgaande op The Robe het er op gaat lijken dat de tot nu toe gehanteerde normen in zeker opzicht ernstig in het gedrang dreigen te komen; dat echter anderzijds voor de regisseur, die met het nieuwe systeem werkt, in het stereophonische geluid b.v. mogelijkheden schuilen, die wellicht een verrijking van de tot op heden bekende filmische expressiemogelijkheden kunnen inhouden. Ondertussen moet U beslist niet verzuimen The Robe te gaan zien; Kosters flair staat er borg voor dat u zich niet zult vervelen en de filmliefhebbers zullen door zijn CinemaScopefilm genoeg stof opdoen voor discussies en overpeinzingen over “het nieuwste van het nieuwste” op filmgebied.


Uit: De Tijd, 13 februari 1954


Naschrift Fred Bredschneyder

In die tijd ging The Robe in première, de eerste cinemascope-film. Maanden tevoren had de productiemaatschappij Twentieth Century Fox de kranten overstroomd met berichten over dit nieuwe procedé. Daarbij was verzocht om ‘cinemascope’ weliswaar als één woord, maar wel met een hoofdletter S in het midden te schrijven. Van Domburg vond dat ‘Amerikaanse flauwekul’ en dus hield De Tijd het gewoon op ‘cinemascope’. The Robe was een prima film… om tegen van leer te trekken. Ik kan me niet woordelijk herinneren wat ik erover geschreven heb, maar het kwam er wel op neer dat ik het een belachelijke vertoning vond: Christus, op breed formaat aan het kruis hangend, omgeven door van alle kanten, uit vele luidsprekers, op hem en ons afkomende muziek. Lex Werkheim, de publiciteitschef van Fox Nederland, één van de aardigste mensen die ik in het vak gekend heb, was zich kennelijk te pletter geschrokken. Nou had-ie een mooie, je zou haast kunnen zeggen ‘katholieke’ film, nog wel volgens het nieuwste technisch procedé vervaardigd, en uitgerekend zo’n film werd in het katholieke dagblad De Tijd de grond in geboord. Hij belde Van Domburg op om zijn beklag te doen en nodigde hem uit zelf eens te komen kijken. Omdat ik toevallig bij dat telefoongesprek aanwezig was, kon ik Van Domburgs antwoord uit de eerste hand vernemen: “Bredschneyder is jong genoeg om mijn leerling te kunnen zijn en omdat mijn leerlingen zich niet kunnen vergissen, heeft het voor mij geen enkele zin om die film te gaan zien.” Werkheim had daar geen antwoord op en ik stond erbij alsof ik zojuist het diploma ‘erkend filmcriticus’ had behaald.

Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #6, in de Filmkrant #105, oktober 1990