6 – De dood van een handelsreiziger

Filmische effecten verliezen betekenis

Na Glazen speelgoed en Tramlijn begeerte is thans ook De dood van een handelsreiziger op het witte doek te zien. Het toneelstuk mag genoegzaam bekend verondersteld worden, het is in ons land zelfs door meerdere gezelschappen gespeeld, zodat we ons van de plicht ontslagen achten hier de geschiedenis van Willy Loman te vertellen. Er vallen trouwens andere dingen over de film te zeggen.

Arthur Miller maakt in zijn toneelstuk Death of a Salesman gebruik van wat men filmische effecten zou kunnen noemen. Hetzelfde doet o.m. Tennessee Williams in zijn Glass Menagerie en in zijn A Streetcar Named Desire. Ze laten m.a.w. de regels: eenheid van plaats en tijd voor wat ze zijn en mengen, binnen het bestek van één bedrijf, heden en verleden door elkaar; hun acteurs wandelen vanuit de kamer waarin ze zaten, naar een plaats waar ze jaren geleden vertoefd hebben etc. etc. Hoe men over deze methode, waarbij het toneel nu eens iets van de film overgenomen heeft en niet omgekeerd, ook mag denken, feit is dat ze een winst kan zijn. Niet altijd, het verwordt weleens tot een spelletje, tot een coquetteren met trucjes. In De dood van een handelsreiziger heeft dit beurtelings in verschillende perioden en op verschillende plaatsen toeven in ieder geval een functie, het heeft zin. Theoretisch zou het op het toneel toegepaste filmische procedé, teruggebracht in de filmstudio, een film moeten opleveren, of juister gezegd ook op het witte doek zou het suggestief en zinvol moeten werken. Dit nu is bepaald niet het geval. Het was het niet in de verfilming van Glazen speelgoed, niet in de verfilming van Tramlijn begeerte en het is het nu ook weer niet in de verfilming van De dood van een handelsreiziger.

Een voorbeeld: de figuur van Oom Ben, op het toneel als uit het niet oprijzend en zo onwerkelijk gehouden dat een gesprek van Willy met hem als het ware een ten tonele gevoerd herinneringsbeeld is, stapt op het filmdoek reëel, althans niet irreëel genoeg, op de filmcamera af, zodat de suggestiviteit van de scène nauwelijks nog aanwezig is, zeker in veel mindere mate dan op het toneel. Een ander voorbeeld: wanneer Willy zich ’s nachts in de keuken langzamerhand weer voelt alsof hij en zijn zoons jaren jonger zijn, zodat hij in gedachten met ze gaat praten, terwijl zij zijn auto aan het oppoetsen zijn, dan is op het toneel door lichteffecten en door vallende bladeren de overgang naar het verleden bereikt. De (jonge) zoons komen op en ook deze scène is weer irreëel genoeg om als vleesgeworden gedachte te kunnen gelden. Niet zo op de film: de overgang naar het verleden, niets bijzonders in de filmtaal, mist sfeer, is te reëel, kan dus nauwelijks als herinneringsbeeld dienen. Ook ten aanzien van andere scènes is dit het geval, zodat we tot de conclusie moeten komen, dat de filmische vorm op het toneel betekenis en inhoud heeft, op het filmdoek gekopieerd alleen maar een vorm is, een trucje zonder meer, zoals de film ze er bij honderden kan opleveren. Resteert dus een film die een boeiende en ontroerende geschiedenis in toneelvorm biedt, aangevuld met filmische effecten, die het op het toneel uitstekend doen, hier veel van hun charme en vooral van hun betekenis verliezen. Er is één uitzondering; regisseur Laslo Benedek laat, wanneer Willy Loman in zijn auto de dood tegemoet rijdt, de lichten der lantaarnpalen als diamanten op hem afkomen, hiermee de woorden van Ben symboliserend: “The jungle is dark, but full of diamonds.”

Voor het overige wordt de tekst van het toneelstuk niet sterk gewijzigd, gezegd en gespeeld. Knap gespeeld; we kunnen ons best voorstellen dat Fredric March voor zijn Willy Loman een onderscheiding gekregen heeft; hij geeft een indrukwekkende creatie, hetgeen de film echter veroordeelt. Ze draait in Kriterion, men moet haar gaan zien, als verschijnsel is ze interessant en geeft ze wellicht stof tot discussie. Op degenen, die het stuk niet kennen, zal ze niet nalaten indruk te maken.


Uit: De Tijd, 25 oktober 1952


Naschrift Romy van Krieken

Naast een fervent filmkijker, is Fred Bredschneyder ook een enthousiaste theaterbezoeker. Daar maakt hij dankbaar gebruik van bij de bespreking van deze verfilming van een toneelstuk, dat hij dermate bekend veronderstelt dat hij doodleuk niets over de inhoud vertelt. Om in de allerlaatste zin toe te geven dat er toch wel mensen bestaan voor wie dat misschien handig was geweest… In zijn recensie van Death of a Salesman verpakt hij een bespiegeling over het verschil tussen het medium film en het medium toneel. Dat soort kansen grijpt hij vaker aan, om ons meer te vertellen dan alleen hoe goed of slecht een film is, zonder daarbij te ver af te dwalen van de eigenlijke recensie.