Film van Lewis Milestone
Lewis Milestone heeft al eens eerder de oorlog tot onderwerp van zijn film gemaakt. Lange tijd terug, in 1930, toen hij Remarque’s lm Westen nichts Neues verfilmde, en kortgeleden in A Walk in the Sun. Thans in Okinawa, dat eigenlijk The Halls of Montezuma heet, is het een episode uit de strijd van de Amerikaanse mariniers tegen de Japanners, die hij in beeld brengt.
Het verhaal is feitelijk in een paar woorden verteld. Mariniers landen op een eiland in de Pacific en worden bestookt met raketten. Men weet niet waar ze vandaan komen, de plaats waar het geschut staat opgesteld wordt echter toch ontdekt, zodat een bombardement een eind kan maken aan een wapen dat in korte tijd vele slachtoffers heeft gemaakt. Zoals ze hier wordt omschreven biedt de geschiedenis weinig schokkends en wanneer Milestone daarenboven volgens het gebruikelijke recept te werk gegaan zou zijn, dan zou het resultaat een plaatsje krijgen temidden van de vele films, die, allesbehalve opvallend, gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog hebben verteld, omdat dit onderwerp nu eenmaal een tijdlang en vogue was.
Milestone heeft het echter beter gedaan dan vele van zijn collega’s. Naast die wapenfeiten zijn het ook de soldaten, in dit geval de mariniers, die zijn aandacht hebben. Mensen zoals iedereen met hun eigenaardigheden, hun minderwaardigheidscomplex, hun voorliefde voor een goede borrel, hun eeuwige migraine enz. enz. Mensen die zich kunnen ergeren aan hun medemensen, maar die daarenboven nog voortdurend op de grens tussen leven en dood verkeren. Om de persoonlijkheden was het Lewis Milestone te doen, om de uiteenlopende karakters. Hij laat zo nu en dan het heden rusten om terug te grijpen naar episodes uit het leven van zijn sujetten die hun gedragingen in de strijd verklaren. Hij maakt een sober gebruik van de dialogue interieure, net voldoende om de achtergrond van de feitelijke gebeurtenissen even naar voren te halen.
Deze trekjes maken zijn film tot meer dan “alweer een oorlogsfilm”. Dat hij in de verbeelding van de strijd niet altijd even opmerkelijke dingen doet, kan hij nauwelijks helpen; het gras is in dit opzicht wel totaal voor zijn voeten weggemaaid. Dat hij desondanks toch bijwijlen weet te frapperen, pleit voor zijn talent. Met name de beelden van de landing zijn zo nu en dan treffend. Wanneer de mariniers zich ingegraven hebben speelt hij een boeiend spel met het geluid en durft hij het aan het beeld ook eens volkomen duister te houden.
Okinawa is overigens een kleurenfilm en behoudens deze fragmenten speelt de kleur eigenlijk niet zo’n belangrijke rol. Maar men kan nu eenmaal niet alles tegelijk verlangen. Het is al heel plezierig weer eens een film te ontmoeten waarin gepoogd wordt eens wat dieper te graven, welke pogingen voor een deel zeer zeker gelukt zijn. Dat de pathetiek af en toe even om de hoek dreigt te gluren zullen we nu maar buiten beschouwing laten.
Uit: De Tijd, 10 mei 1952
Naschrift Joost Broeren-Huitenga
Na de korte bespreking van een televisie-uitzending moet dit de eerste filmrecensie zijn die Bredschneyder in De Tijd publiceerde – althans, de eerste waar zijn naam bij staat (of eigenlijk, zoals geld voor vrijwel al zijn bijdragen aan die krant, de verkorting “Fr.Br.”). Eerder schreef hij wel al korte filmbesprekingen, maar omdat in De Tijd (zoals destijds gebruikelijk) alleen bij de langere stukken de auteur werd vermeld, is onmogelijk te achterhalen welke daarvan door Bredschneyder werden geschreven. Zo kan het gebeuren dat Bredschneyder in de krant waar hij al voor schrijft, eerder wordt vermeld als redacteur van tijdschrift Filmforum in besprekingen van dat blad dan als eigen medewerker. Bredschneyders debuut als “hoofdcriticus” van de krant kwam overigens na een roerige week op de redactie, zoals hij in onderstaande Flashback memoreert.
Naschrift Fred Bredschneyder (1)
Wanneer begin jaren vijftig Jan Derks niet door de directie van het dagblad De Tijd was ontslagen, dan zou A. van Domburg geen waarnemend hoofdredacteur zijn geworden en zou mij niet zijn gevraagd voorlopig de filmrubriek te redigeren.
Het boterde al lange tijd niet tussen Jan Derks en de directie. Nu was hij een hoofdredacteur, die vond dat zijn krant zich moest onderscheiden door het nieuws, dat er niet in werd gepubliceerd. Ook zou hij abonnees, die het met een bepaald artikel oneens waren, het liefst hebben geantwoord dat ze kennelijk niet het geestelijk niveau bezaten, dat vereist was om De Tijd op zijn juiste waarde te schatten. Waarna intrekking van het abonnement zou moeten volgen!
Met zulke opvattingen word je natuurlijk nooit de grootste krant van Nederland. Wat De Tijd dan in de verste verte ook niet was. Dat de directie Derks’ gedachtenvlucht niet altijd kon volgen lag voor de hand en op een gegeven moment werd hij ontslagen. De chef van de zetterij kreeg het bericht, waarin de directie dit meldde, in zijn hand gedrukt met de opdracht ervoor te zorgen dat het in de krant kwam. Nog geen minuut later ging de voltallige redactie in staking. A. van Domburg, die met een lichte verkoudheid thuis was gebleven, werd letterlijk uit zijn bed getrommeld, naar de krant gehaald en tot ‘stakingsleider’ gebombardeerd. Van de directie werd geëist, dat het bericht van Derks’ ontslag de volgende dag opnieuw zou worden geplaatst. In dezelfde opmaak en in hetzelfde lettertype, maar dan wel in veel vriendelijker bewoordingen en met nadrukkelijke vermelding van de verdiensten, die Jan Derks voor De Tijd had gehad. Toen die eis was ingewilligd, gingen we weer aan het werk. Zolang er nog geen nieuwe hoofdredacteur was benoemd, zou Van Domburg als waarnemer optreden. Hij vroeg mij om in die tijd in zijn plaats de filmrubriek te verzorgen. Dat hield onder andere in de ‘kleine’ films onder de redacteuren te verdelen en de ‘grote’ voor mijn eigen rekening te nemen.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #6, in de Filmkrant #105, oktober 1990
Naschrift Fred Bredschneyder (2)
Wanneer ik hier zwart op wit zou zetten op welke leeftijd ik voor het eerst de bioscoop heb betreden, dan zou ik met recht en reden kunnen vrezen dat de een of andere “Commissie ter bestudering van de nadelige gevolgen van het bioscoopbezoek op het kind” mij onmiddellijk als dankbaar studieobject zou gaan beschouwen, met alle rampzalige gevolgen van dien. Ik zou in dat geval de commissie echter veel werk kunnen besparen door haar erop te wijzen dat, voor zover ik dat althans zelf kan beoordelen, het enige nadelige gevolg van mijn vroegtijdig bioscoopbezoek de omstandigheid is dat ik filmrecensent ben geworden. Helemaal eerlijk zou ik dan toch ook weer niet zijn (maar is men dat wel ooit tegenover commissies?), want ik zou nog iemand anders als medeschuldig aan dit feit moeten aanwijzen, nl. de heer A. van Domburg. (Nee, niet “Janus”. Door mijn leeftijd hoor ik niet in de afdeling “Janus”-zeggers thuis.) Wanneer ik voor het eerst mijn hartstochtelijk, niet uit het hoofd te praten, allesbeheersend verlangen journalist te worden kenbaar maakte zou ik niet precies durven zeggen. In ieder geval ná de periode, waarin men zich voorneemt als treinconducteur of roverhoofdman door het leven te gaan. Tussen het verlangen en de vervulling ervan lag een oorlog, die ruimschoots de gelegenheid bood behalve ademhalen één van de weinige dingen te doen, waardoor men niet het gevaar liep voor collaborateur te worden versleten, nl. lezen. De filmlectuur ontbrak niet, en aan die filmlectuur ontbrak natuurlijk de naam A. van Domburg niet. En daarmee was de driehoek “filminteresse-Van Domburg-journalistieke interesse” geconstrueerd. Enfin, na de oorlog kwam ik nota bene bij “zijn” krant. Het hartstochtelijke etc. verlangen was niet langer een verlangen meer.
Uit: ‘Een verwijt…’ in Filmforum 1955, p. 28
(geschreven kort nadat Bredschneyder zelf afscheid nam bij De Tijd, ter gelegenheid van de 60e verjaardag en 25 jaar in het vak van A. van Domburg)