4 – Televisie

De ritmische gymnastiek voor kleuters onder leiding van mevrouw Map van der Veen-van der Waall, waarmee de VARA haar televisieprogramma gisteravond inzette, bezat uit de aard van het onderwerp wel een zekere charme. De wijze waarop men deze demonstratie met de camera te lijf ging,  had ook ditmaal weer weinig bekoring. In het vraaggesprek van Jelle Troelstra met de schilder Jan Sluyters werden in dit opzicht al heel wat aardiger dingen gedaan. Er was het begin van een boeiende, afwisselende beeldenreeks. In plaats van de aangekondigde causerie over de vervaardiging van schaatsen werd een filmpje over de aankomst van kapitein Carlsen te Falmouth vertoond, dat het actuele element in dit programma vertegenwoordigde. Dat het begrip actualiteit bij een gebonden zijn aan twee bepaalde uitzendingsavonden hier min of meer betrekkelijk is, behoeft geen betoog. Behalve de gebruikelijke weerkaart was er een selectie uit het repertoire van het Théatre de Mime onder leiding van Etienne Decroux. Ongetwijfeld vormden de vertoonde nummers voor de liefhebbers een interessant schouwspel. Om echter een en ander voor het grote publiek aantrekkelijk te maken zou de camera het als het ware aan de hand tot de kern van het vertoonde moeten voeren. M.a.w. ook hier zou de camera meer variatie in haar instellingen moeten bezitten. Over variatie gesproken: om het Hawaiian muziekgezelschap, dat na de pauze optrad, steeds weer te vangen in een totaalbeeld afgewisseld met de close-up van de Hawaiian-guitarist, wordt ook bepaald vervelend. Overigens kon dit “kiekie van Waikiki” ons niet enthousiast maken. Het parodistenduo, dat erin optrad, was feitelijk nogal goedkoop, het geheel enigszins naïef en hoogstens “wel aardig” te noemen.


Uit: De Tijd, 16 januari 1952


Naschrift Romy van Krieken

Dit korte tekstje – het eerste artikel in De Tijd waar Bredschneyders naam als auteur bij vermeld staat – lijkt een vreemde eend in onze selectie. Het is gekozen om te laten zien dat Bredschneyder met evenveel vlijt een hoogstaande film recenseerde als een televisieprogramma met kleutergymnastiek. Hij onderbouwde zijn negatieve geluiden altijd, zonder denigrerend te worden, en wist ze ook altijd in te kleden met meer positieve gedachtes of redenen voor de tegenvallende prestaties. Zoals in dit geval de beperking in uitzendavonden.

Naschrift Fred Bredschneyder

De eerste televisie-uitzendingen in het begin van de jaren vijftig werden niet door fulltime tv-critici besproken. Die waren er nauwelijks. Om met het bespreken van televisie-uitzendingen je tijd te vullen zou trouwens gezien het zeer geringe aantal, niet eenvoudig zijn geweest!

Het leek voor de hand te liggen, zo nu en dan ook filmjournalisten hun oordeel over het gebodene te laten vellen. De televisie was immers een huisbioscoop! Maar dan wel één, die iets te zien gaf, dat niets met film had te maken. Dat je naar gebeurtenissen kon kijken, die zich op hetzelfde moment elders, in de Bussemse Irene-studio, in een voetbalstadion of waar dan ook, afspeelden, was natuurlijk een hele sensatie, maar film, dat wil zeggen ‘kunst’, was het niet.

Voor het schrijven van een televisierecensie was het aanbevelenswaardig, de betreffende uitzending gezien te hebben. Dat nu, was in die dagen nogal een probleem. Ik had namelijk geen televisietoestel. Wie overigens wel? Zoveel toestellen waren er nog niet aan de man gebracht en een deel daarvan stond dan ook nog in café’s en andere openbare gelegenheden. Vandaar dat ik op een vroege zondagmorgen op zoek ging naar een koffiehuis-met-televisie. De Tijd wilde namelijk de misuitzending van de KRO besproken zien. De eigenaar van het etablissement reageerde niet erg enthousiast, toen ik hem vroeg zijn televisie aan te zetten. Ondanks de belofte, dat ik tijdens het kijken het ene kopje koffie na het andere zou drinken. “De biljarters kunnen elk moment komen,” zei hij. Op voorwaarde, dat het geluid op een laag pitje kon blijven, zette hij het apparaat tóch in werking.

Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #7, in de Filmkrant #106, november 1990