De vertoning van Jean Dréville’s President Haudecoeur, geannonceerd als een der laatste films van (met!) Harry Baur, gaf ons aanleiding tot dit artikel dat, mede bedoeld als een late nagedachtenis aan deze tijdens de oorlog overleden Franse karakterspeler, zijn activiteit ten behoeve van de cinematografie onder de loep neemt.
Harry Baur was de bezitter van een formidabel plastisch en mimisch vermogen, dat zich bij uitstek leende voor de uitbeelding van min of meer buiten het normale staande, geniale, gedesillusioneerde, soms misdadige en demonische gestalten. Een goed filmregisseur vond in deze acteur, die toch vooral toneelspeler was, een zeldzaam werktuig voor de vervaardiging van filmisch verantwoorde producten. In zekere zin is dit een merkwaardigheid, waar men geneigd zou zijn aan te nemen dat Baur slechts op kon treden in van toneelmatigheid druipende films, waarin hij de aandacht zou opeisen voor zijn magistraal acteertalent. Inderdaad geschiedde dit wanneer hij speelde onder minder kundige regisseurs, die er niet in slaagden hun materiaal, dus ook de acteurs, volgens de cinegrafische wetten te regeren.
Hetzelfde euvel treffen we aan wanneer andere toneelspelers voor de film spelen, zoals de onlangs overleden Heinrich George en Raimu, bij Emil Jannings, Michel Simon en Charles Laughton. Maar zelfs wanneer Harry Baur aldus op het witte doek verscheen kon men niet anders dan bewondering hebben voor zijn fascinerende vertolkingen en dankbaar zijn dat de reproducerende functie van de cinematografie het aanschouwen hiervan mogelijk maakte.
De films waarin Baur meespeelde vormen, met als eerste David Golder (1931) en als laatste Symphonie eines Lebens (1943), een respectabele reeks. Wij doen slechts een greep en noemen Crime et chátiment (’35, naar Dostojewsky’s Schuld en boete), waarin hij den rechter-commissaris Petrowitch vertolkte; zijn creatie van Herodes Duvivier’s Golgotha (eveneens van 1935); de titelrol in Un grand amour de Beethoven van Abel Gance (1936-’37); zijn aandeel in Duvivier’s Carnet de bal (Het Balboekje, ’37); Raspoetin, de geheimzinnige figuur uit het Czarenrijk, in Marcel l’Herbier’s Tragedie imperiale (De tragedie van een keizerrijk, ’38).
Het thans vertoonde President Haudecoeur, waarin Baur een op oudere leeftijd gekomen, strenge procureur-général uitbeeldt, die via een hopeloze liefde een milder man wordt, is van 1941. Hierna speelde hij in Volpone, L’Assassinat du père Noël en Pèches de jeunesse (1941-’42), welke films hier nog niet vertoond zijn. Wel zagen wij tijdens de oorlogsjaren het van 1943 daterende Symphonie eines Lebens.
Door dit Duitse Tobis-product wordt de grootheid van Harry Baur als waarlijk film-acteur nog eens ondubbelzinnig bevestigd. Hij is hier een componist die zijn vrouw en dorp verlaat om een Hongaarse gravin te volgen, uit haar nabijheid de kracht put voor het scheppen van een meesterwerk, eerst echter nog vele desillusies moet beleven, bij zijn terugkeer zijn vrouw op haar sterfbed aantreft en dan een symphonie schrijft, de symphonle van zijn leven.
De anonieme regisseur liet Baur deze figuur niet spelen (en de camera een staal toneelkunst noteren) maar zijn, om hem en alle andere spelers en attributen met het filmapparaat te lijf te gaan en op te lossen in een beeldenreeks van buitengewone schoonheid, wier ritme correspondeerde met de verrukkelijke, door het Dresdener philharmonisch orkest o.l.v. Paul van Kempen en de Wiener Sängerknapen uitgevoerde muziek.
Op volmaakte wijze paste Harry Baur in het kader van dit cinegrafisch zo bijzonder geslaagde werk, dat met H. Käutner’s Romance tot de topprestaties van de Duitse film der laatste jaren behoort. Wanneer dan ook, zoals in andere landen reeds is geschied, opnieuw Duitse producten in vertoning komen, dan heeft de film Levenssymphonie als een werk dat torenhoog uitsteekt boven de artistieke en morele kitsch die bij de Duitse film zo dominerend was en als een waardige nagedachtenis aan Harry Baur, het meeste recht op onze filmdoeken geprojecteerd te worden.
Over het overlijden van Harry Baur doen vreemde verhalen de ronde. Nog maar kort geleden lazen wij in De waarheid (van 10 april) een bericht van de Parijse correspondent waarin deze o.m. meedeelde dat men na de bezetting van Frankrijk niet veel meer van Baur hoorde. Hij wilde niets met de Duitsers te maken hebben en leefde rustig ergens in een dorp. In 1941 werd hij echter plotseling gearresteerd. Een oude jeugdvriend die voor de Gestapo werkte, had deze uitvoerig verteld dat Baur met een jodin getrouwd was, dat hij veel met joden omging, dat hij het rode Spanje met zijn werk en sympathie gesteund had, dat hij een “rooie” was en waarschijnlijk illegaal werk deed. De Gestapo heeft de oude acteur afschuwelijk gemarteld. Toen het zeker was dat hij hieraan zou bezwijken hebben de nazi’s hem schijnheilig naar zijn huis gebracht, waar hij enkele dagen later is overleden. De Franse pers kreeg opdracht het bericht de wereld in te zenden dat Harry Baur aan een hartverlamming was overleden. Tot zover de Waarheid.
Wij moeten bij dit bericht aantekenen dat niet in 1941, maar 1943 Baur’s dood door de bladen gemeld werd. Voorts kunnen wij dat “rustig leven” en “niets met de Duitsers te maken willen hebben” moeilijk rijmen met het feit dat in de periode van 1941-’43 vier films tot stand kwamen waarin hij meewerkte, waaronder een Duitse.
Wij vragen ons af of er verband bestaat, en zo ja welk, tussen Baur’s werk in de Duitse filmindustrie en zijn dood als slachtoffer van de Nazi’s. Wij hij soms zelf een jood? Wij herinneren ons dat bij de première van de Levenssymphonie een of ander onbenullig NSB-blaadje dit beweerde, en dat daarna, toevallig (?), deze film niet meer in de bioscopen vertoond is.
Wij kunnen hier helaas geen opheldering geven. Hoe het echter ook zij, bij velen zal een dankbare herinnering blijven voortleven aan deze merkwaardige figuur uit de Franse filmspelerswereld.
Uit: Het Zaterdagavondblad, jaargang 1 nummer 28 (28 juni 1947)
Interview met Hans Bertram
Harry Baur in de oorlog
Wanneer men de geschiedenis van de Franse film schrijft, kan men de naam van Harry Baur niet onvermeld laten. Deze karakterspeler met zijn groot mimisch en plastisch talent heeft aan menige Franse film medewerking verleend. Over het algemeen wisten de regisseurs hem niet op verantwoorde wijze in hun films onder te brengen en brachten ze het niet verder dan tot een registratie van Baur’s formidabel toneelspel. Ook zijn er echter regisseurs geweest die op voortreffelijke wijze van deze persoonlijkheid gebruik hebben gemaakt.
In 1943 werd het overlijden van Harry Baur gemeld. Enige tijd daarna kwam in ons land de Duitse film Symphonie eines Lebens in roulatie, waarin men de filmschaduw van Baur nog eens kon aanschouwen. In deze film, die als het ware de filmische uitbeelding van door Norbert Schultze geschreven muziek is, werd het merkwaardige masker van de Franse acteur het object van verzorgde beelden, die vrijwel doorlopend de filmvorm geen geweld aandeden. Het was kortom een interessant werkstuk. Nauwelijks echter draaide de film in onze bioscopen of het een of andere NSB-orgaan kreet in opperste verontwaardiging uit, dat het schande was de Jood Harry Baur nu nog op het filmdoek te doen verschijnen. Enige tijd later verdween de film uit de roulatie. Dit, gevoegd bij het feit dat de ongetwijfeld talentvolle regisseur van Symphonie eines Lebens niet vermeld werd, vormde een nogal merkwaardige gebeurtenis. Pas onlangs is ons de naam van de maker van Levenssymphonie bekend geworden alsmede de juiste toedracht van een en ander. In de Cinetone-studio, op Schiphol en elders in ons land zijn namelijk opnamen gemaakt voor de Duitse film Türme des Schweigens. Tijdens een onderhoud met de regisseur van deze film, Hans Bertram, nu is gebleken dat hij indertijd Symphonie eines Lebens heeft vervaardigd. Desgevraagd heeft hij ons de gebeurtenissen rond deze film verteld.
Hans Bertram heeft Harry Baur uitgenodigd een rol in zijn film te vervullen. Hij wist dat de Franse acteur een Jood was, maar heeft dit feit tijdens de werkzaamheden voor iedereen verzwegen. Na zijn terugkeer in Parijs echter werd Baur door “collega’s” bij de Gestapo aangegeven. Hij werd gevangen genomen en doodgemarteld. Hans Bertram werd verder werken onmogelijk gemaakt. Zijn film werd anoniem in roulatie gebracht en later verboden. Momenteel draait Symphonie eines Lebens met groot succes in vele landen. Hier hebben we haar nog niet teruggezien.
De film Türme des Schweigens, die reeds over enkele maanden in première zal gaan, heeft een uitgesproken internationaal karakter. Vooreerst is daar het verhaal, dat zich afspeelt tussen Amsterdam en Damascus en waarin de hoofdfiguur een gezagvoerder van de KLM is. Hans Bertram heeft vooral de nadruk willen leggen op het contrast tussen Europa en de Oriënt; het verschil in cultuur, in klimaat en in levensgewoonten. Vervolgens zijn daar de meewerkenden. Behalve Duitse technici en acteurs, alsmede onze landgenoot Frits van Dongen, zijn bij de opnamen in en rond Damascus bewoners van de streek werkzaam geweest. Bij de opnamen in ons land verleenden het Nederlands personeel van Cinetone en enige Nederlandse toneelspelers hun medewerking.
Hans Bertram roemde de arbeidsgeest van zijn Nederlandse medewerkers. Hij hoopte dat dit eerste contact door meerdere gevolgd zou worden. De voormalige vlieger, die ook enige boeken op zijn naam heeft staan, zou het liefst elk jaar een film met een internationaal gezicht vervaardigen, in samenwerking met andere landen. Hij was niet pessimistisch gestemd over de toekomst van de West-Duitse film.
Uiteraard kunnen we nog weinig ten aanzien van Türme des Schweigens voorspellen. Door de opnamen, die we bijgewoond hebben, kunnen we ons uiteraard nog geen oordeel over de film vormen. Mocht Bertram er echter in slagen zijn intenties te verwezenlijken, dan is er alle reden deze regisseur, wiens Levenssymphonie we ons in ieder geval met veel genoegen herinneren, in het oog te houden.
Uit: Filmforum #146 (1952)
Opmerking: Bredschneyder schreef een vergelijkbaar artikel in De Tijd van 26 juli 1952, beschikbaar op Delpher.
Naschrift Fred Bredscheyder
Ik had voor Het Zaterdagavondblad een stuk over de, voor de oorlog befaamde, Franse acteur Harry Baur geschreven. Tijdens de bezetting had ik hem in de Duitse film Symphonie eines Lebens gezien. Die film was vrij snel verdwenen, nadat hier en daar gepubliceerd werd dat Harry Baur een jood was en ‘dus’ niet in een ‘arische’ bioscoop thuishoorde. Hij was overigens inmiddels overleden, na – zoals later bleek – door de Gestapo te zijn verhoord. De zaak intrigeerde me nogal. Bovendien had zijn verschijning in die Duitse film een dusdanige indruk op me gemaakt, dat ik na de oorlog probeerde zoveel mogelijk Franse films te zien, waarin hij meespeelde. In een onbewaakt ogenblik had ik een artikeltje aan hem gewijd en die onbezonnen daad dreigde me nu op te breken. Een serieuze filmrecensent maakt immers geen woorden vuil aan filmsterren. Hoewel niet ontkend kon worden dat in menige speelfilm zo nu en dan acteurs door het beeld wandelen, werd men geacht hen te negeren. Voor de filmkunst waren ze volslagen onbelangrijk. Tot mijn geluk had ik niet verzuimd zulks in mijn verhaal te benadrukken. Geheel volgens het boekje had ik gesteld dat de acteur Harry Baur alleen maar van belang was voor zover de eigenlijke schepper van de film, de regisseur, erin slaagde zijn mimiek en plastiek zinvol in een ritmische stroom van beelden onder te brengen. Dát was mijn redding. In het “halfjaarlijkse verslag (februari-augustus 1948)” van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten kon worden gemeld, dat H.F. Bredschneyder Jr., zoals ik mij destijds omslachtig, maar geheel naar waarheid noemde, als ‘gewoon lid’ was toegelaten.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #5, in de Filmkrant #104, september 1990