Er was ‘hoop op meer’!
Hoewel de oude vissersboot ‘Op hoop van zegen’ nauwelijks nog zeewaardig is, laat reder Bos hem toch weer uitvaren. Van tevoren heeft hij het met de verzekering op een akkoordje gegooid. Ondanks de geruchten over de toestand, waarin ‘De Hoop’ verkeert, gaan de vissers aan boord. Ook Barend, de jongste zoon van Knier, wier man en twee kinderen op zee zijn omgekomen. Zijn broer Geert, die een poosje in de gevangenis heeft gezeten en die vanwege zijn ‘rooie’ opvattingen bij Bos niet in een goed blaadje staat, mag aanmonsteren nadat er voor hem een goed woordje is gedaan. Tijdens een hevige storm vergaat de ‘Op hoop van zegen’. In het dorp blijft men op de terugkeer wachten, maar wanneer het lijk van Barend en één van de luiken aanspoelt, heeft men zekerheid omtrent hetgeen er is gebeurd.
Nadat er enkele jaren eerder daartoe pogingen zijn gedaan, is Herman Heijermans’ toneelstuk Op hoop van zegen in 1918, achttien jaar na de première, voor de eerste maal verfilmd met Esther de Boer-van Rijk als Kniertje. De regie was in handen van Maurits H. Binger, die een prominente rol heeft gespeeld bij de opbouw van de Nederlandse speelfilmindustrie. Van zijn verfilming zijn alleen maar wat fragmenten bewaard gebleven.
Zes jaar later volgde er een Duits-Nederlandse coproductie, waarvoor de binnenopnamen in Berlijn en de buitenopnamen in verschillende Nederlandse kustplaatsen werden gemaakt. De regie had James Bauer, Knier werd gespeeld door Adele Sandrock, die in Rotterdam was geboren maar wier toneelcarrière in 1879 in Berlijn begon en die van 1911 tot haar dood in 1937 toe in vele Duitse films is opgetreden.
In de derde verfilming speelde Esther de Boer-van Rijk opnieuw de rol, waarmee men haar zozeer heeft geassocieerd, dat men haast zou vergeten dat ze, behalve Knier, nog méér figuren van Heijermans heeft uitgebeeld en dat ze bovendien in tientallen andere rollen te bewonderen is geweest. Wat deze, uit 1934 stammende, film betreft hoeven degenen, die hem toen hebben gezien, niet op hun herinnering af te gaan. Cop Koppies heeft hem op video uitgebracht, zodat we hem als het ware naast de nieuwste verfilming van Guido Pieters kunnen leggen. Overigens niet om vergelijkingen te trekken; Pieters heeft immers geen remake van de film van Alex Benno gemaakt; hij heeft Heijermans’ spel opnieuw verfilmd.
Wat derhalve wél kan worden nagegaan is, hoe beide filmers met Heijermans’ schepping zijn omgesprongen. Welnu, Benno, die ooit bij Binger is begonnen, heeft zich niet al te ver van het origineel verwijderd. Dialogen zijn soms praktisch letterlijk overgenomen en de enscenering verloochent de toneelafkomst niet. Toch heeft hij ook gebeurtenissen, waarover in het stuk alleen maar wordt gepraat, zichtbaar gemaakt. De vechtpartij, die Geert in de bajes doet belanden, en, wat voor de hand ligt, het ondergaan van ‘De Hoop’. De opnamen daarvan, die in de vóór de Duivendrechtse Cinetone-studio gelegen Weesper trekvaart zijn gedraaid, maar ook de overige buitenshots, vormen niet bepaald een naadloos geheel met de studio-opnamen. Het is echter beslist boeiend en interessant om de meer dan een halve eeuw oude film (terug) te zien. Vooral natuurlijk om de toen 81-jarige Esther de Boer-van Rijk, maar ook om Frits van Dongen, die enkele jaren later via de UFA in Hollywood zou belanden, om Jan van Ees, die voor de rol van Barend nu niet bepaald zijn leeftijd mee had, en al die andere auteurs, wier speeltrant maar vooral wier dictie, nu soms wat kurieus aandoet.
Guido Pieters en zijn scenarioschrijfster Karin Loomans hebben het verhaal van Herman Heijermans in grote lijnen aangehouden. Vandaar dat de hierboven weergegeven ‘korte inhoud’ zowel op hun als op Alex Benno’s film slaat. Voor het overige zijn er echter accentverschuivingen, zijn er nieuwe accenten gelegd en is men er vooral met sukses in geslaagd te voorkomen, dat de toeschouwer ook maar een moment de gedachte bekruipt met een verfilmd toneelstuk te doen te hebben.
De ingrijpendste verandering heeft de figuur van Barend ondergaan. Niet Knier maar hij lijkt de hoofdrol te spelen. Hij koestert een jeugdliefde voor de dochter van reder Bos en blijkt zowaar haar op het gebied van tekenen te ervaren. Hoewel het bijna onmogelijk is deze en andere toevoegingen los te zien van de ‘marktwaarde’, die Danny de Munk schijnt te bezitten, hebben ze ons niet gestoord. Wanneer Danny echter plotseling in een lied uitbarst over het barre vissersleven, ligt de ‘commercie’ er wel een beetje al te dik bovenop en wordt er afbreuk gedaan aan het geheel. Dat Guido pieters overigens, al dan niet gedwongen, een dergelijk ontsierend element benut, is frappanter dan de omstandigheid dat Alex Benno hetzelfde deed. In vele Nederlandse films uit de jaren dertig werd een lied aangeheven, dus ook in Op hoop van zegen, waarin Bert van Dongen tot tweemaal toe, vrolijker dan Danny (!), het zeemansbestaan bezingt.
Naast Danny de Munk zien we, zoals dat heet, ‘een keur van Nederlandse acteurs en actrices’, die heel acceptabel en vakkundig de, al dan niet aan Heijermans’ stuk ontleende, figuren neerzetten en die door de regie heel behendig door de fraaie beelden worden geloodst. Ook de zeeramp, ditmaal in een speciaal daarvoor ingerichte Engelse studio gemaakt, ziet er goed uit, maar hij doet je niet rechtop in je stoel zitten. Dat geldt, jammer genoeg, eigenlijk voor de hele film. Heijermans klaagde het onrecht aan en gaf daarnaast een ontroerend portret van een vissersvrouw. Dat maakte wat bij de toeschouwers los. Het zou prachtig zijn geweest, wanneer ook Guido Pieters had kunnen bereiken dat wij, uit woede en verontwaardiging over de smeerlapperij van Bos, de vuisten hadden gebald en tegelijkertijd – wanneer dat althans fysiek mogelijk zou zijn – tranen hadden weggepinkt vanwege het lot van de vissers. Waarmee we maar willen zeggen dat we met bewondering voor het vakmanschap hebben zitten kijken, maar dat we nauwelijks koud noch warm zijn geworden. Waaraan we onmiddellijk moeten toevoegen, dat we er geen idee van hebben hoe het de toeschouwers vergaat, die nog nooit van Herman Heijermans of van Op hoop van zegen hebben gehoord. Dat zullen er ondertussen nogal wat zijn. Misschien dat zij, méér dan wij, onder de indruk raken van, wat zij waarschijnlijk beschouwen als, ‘een film over de visserij met Danny de Munk in de hoofdrol’.
Uit: Film Informatie Dienst 1986, p. 169
Naschrift
[[Verwijzing naar naschrift Ginger e Fred? Weinig aan toe te voegen.]]
Optie (of dit bij Ginger e Fred zetten?)
“Film is een typisch-katholiek medium,” heb ik Jos Stelling eens horen beweren. […] Zijn uitspraak verbaasde me allerminst. Ik was er altijd al van overtuigd geweest, dat ‘wij, katholieken’ veel intensiever, en op zijn minst veel eerder, met film bezig waren dan andere christenen. […] [In de late jaren dertig] was ik al een regelmatig bezoeker van de jeugdmatinee’s in onder andere het Ooster-, later Bio-Theater aan de Amsterdamse Middenweg, zonder dat daar in eigen, katholieke, kring verwonderd over werd gedaan. Aan het eind van de jaren dertig ondertekende ik de ‘filmbelofte’ van de Katholieke Film Actie. Dat hield in, dat je je bij het bioscoopbezoek zou “laten leiden door de adviezen der Katholieke Filmkeuring” en dus de door die keuring ‘ontoelaatbaar’ verklaarde films zou mijden. Maar het impliceerde naar mijn mening tevens, dat het zien van de wel toelaatbaar geachte films weliswaar niet verplicht was, maar dat er toch een zekere zegen op rustte, wanneer je ze ging bekijken!
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #1, in de Filmkrant #99, april 1990