Het, uitstekend georganiseerde, festival van korte films, begin juni in Krakau gehouden, viel ook nu weer uiteen in twee delen, waarvan het eerste gewijd was aan producten van eigen bodem, het tweede aan films uit alle mogelijke, maar dan toch voornamelijk Oost-Europese, landen.
In de eerste week, de Poolse week dus, kwamen er tijdens de in de namiddag en gedurende de avond gegeven voorstellingen zo’n zestig films aan bod, in lengte variërend van enkele minuten tot een half uur. Er waren nogal wat teken- en poppenfilms onder, waarin soms heel virtuoos de satire en de parodie worden bedreven.
Zo gaat het in Miejsce (De positie) van Edward Sturlis om een badgast die op het strand tevergeefs naar een plaatsje zoekt, d.w.z. zolang hij in zwemkostuum rondloopt. Zodra ie echter in z’n imposante uniform verschijnt, putten de zonnebaders zich uit in beleefdheden en attenties.
In Wykres (Diagram), van Daniel Szczechura, wordt op een simpele maar effectieve wijze de altijd haastige moderne mens geschilderd. Grotesk en in feite heel macaber is Wladyslaw Nehrebecki’s Vendetta, waarin twee Italiaanse geslachten elkaar op heel vernuftige wijze uitmoorden. Zodra er aan de ene zijde een slachtoffer valt wordt er wraak genomen op de andere partij en valt ook daar dus een dode. Die dode moet op zijn beurt worden gewroken en zo gaat het maar door totdat er niemand overis.
Serce (Het hart), van Waclaw Wajser, is de geschiedenis van de man die zijn hart aan de mensen wil schenken, maar ontdekt dat de moderne materialistische wereld er geen behoefte aan heeft. Tenslotte geeft ie het aan een meisje dat verliefd op hem is.
In andere teken- en poppenfilms ging het minder sarcastisch en fel attaquerend toe. Daar werden we geconfronteerd met grappige verhaaltjes, welke we ook uit de Amerikaanse dito’s kennen, maar welke hier op heel aantrekkelijke en dikwijls meer oorspronkelijke wijze worden getekend respectievelijk door middel van soms alleraardigste poppen uitgebeeld. Zoals in Kwartecik (Het kwartet), van Edward Sturlis, waarin de Griekse beeldjes op de piano aan het dansen slaan zodra een klein meisje met haar eentonige oefeningen klaar is. In Maluch (De kleuter), van Lucjan Dembinski, gaat een ongehoorzame kleine auto op avontuur. Een verwend jongetje, dat met alle geweld een echt kaboutertje wil hebben, is de hoofdpersoon van Lechoslaw Marszaleks Krasnoludek (De kabouter), Tot leven komend speelgoed hebben we wel meer gezien in poppenfilms, maar in Niespodzianka (De verrassing), van Teresa Badzian, gebeurt dat op zo’n overrompelende manier dat we er tien minuten dolle pret om hebben gehad.
Niet alleen maar een amusant verhaaltje is de geschiedenis van de man die alle moeite doet te kunnen vliegen, daar eindelijk in slaagt maar dan met zoveel problemen moet kampen dat hij maar gauw weer normaal naar de aarde terugkeert. Leonard Pulchny vertelt de geschiedenis in zijn tekenfilm Skrzydla (De vleugels).
De overige Poolse korte films vielen praktisch alle in de categorie documentaires, met uitzondering van een geestig speelfilmpje van een half uur: Perly i dukaty (Paarlen en dukaten), van Jozef Hen, over een Poolse dirigent, die na een optreden in Tsjechoslowakije, zijn honorarium op moet maken en derhalve een vrouwelijke student overlaadt met de kostbaarste geschenken. Op vlotte, luchtige toon wordt de spot gedreven met de deviezenbepalingen, terwijl voorts gespeeld wordt met de verwikkelingen, welke kunnen ontstaan wanneer Tsjechen en Polen ieder in hun eigen taal met elkaar converseren. Verbale humor dus, welke echter op behendige wijze in het ritme van de beelden is ondergebracht.
De oorlog en meer in het bijzonder het lijden van de Joden vormen nog steeds belangrijke en dikwerf behandelde onderwerpen voor de Poolse en de andere Oost-Europese documentaire filmers 7o wordt in Gore (Brand), van Waclaw Kondek, een muzikale compositie van Mordechaj Gebirtyk gevisualiseerd en zodoende een symbolische verbeelding gegeven van het martelaarschap van het Joodse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Met gebruikmaking van authentiek materiaal vervaardigde Daniel Szylit een film over het ghetto van Lodz: Litzmannstadt-getto, waar op vier vierkante kilometer 160.000 mensen waren samengeperst. Een indrukwekkend document. Bohdan Kosinski combineert in Feldpost Osten 1942/44 door Poolse verzetsstrijders onderschepte brieven van Duitse soldaten aan het Oostfront met fragmenten uit Duitse oorlogsjournaals en Robert Stando geeft met behulp van archiefmateriaal en met fragmenten uit het toneelspel Westerplatte, van J. Skowronska-Feldman, een beeld van de aanval op Danzig in 1939 in zijn documentaire Westerterplatte.
Het bezoek dat het Hof van Frankfurt samen met één van beklaagden, Dr. Lukas, heeft gebracht aan het vernietigingskamp Auschwitz, waarvan de KRO-tv-actualiteitenrubriek Brandpunt een filmverslag bracht, werd ook gefilmd door Janusz Kidawa, die er zijn film Wizja lokalna (Het bewijs) mee samenstelde.
Met Rodzina czlowiecza (Family of Man), van Wladyslaw Slesicki, dat de Grote Prijs kreeg, zijn we beland bij de documentaires welke niet de oorlog en zijn gevolgen tot onderwerp hadden, maar waarin een grote variatie aan thema’s werd behandeld. In deze film is een foto van een Poolse boerenfamilie, zoals die op de befaamde fototentoonstelling Family of Man te zien is geweest, het uitgangspunt voor een fijnzinnige, poëtische observatie van het gezin dat voor de foto model stond. “Schönfilmerei” hoorden we zeggen. Zolang dat in ieder geval inhoudt dat het “schön” gefilmd is, hebben we vrede met deze te pas en te onpas gebruikte modeterm.
Kara ciezsza niz kara (De straf), van Wladyslaw Forbert, is een zeer indringende reportage van het leven in een vrouwengevangenis, waarin een aantal “statements” van gevangenen de dramatiek wel accentueren, maar de gang der beelden te lang stop zet. Het probleem van de alcoholici wordt aangesneden in Szansa (De kans), van Lucjan Jankowski, het tienerprobleem krijgt een geestige behandeling in Bilet za fryzjera (’n Toegangsbewijs of de kapper), van Jerzy Gruza. Jonge mensen vormen ook het object van Gore zwana Kuba (De berg Kuba), van Janusz Kidawa, dat het doen en laten observeert van jongens en meisjes die lange tijd in hetzelfde sanatorium moeten verblijven. Een heel boeiende reportage.
Een uiteraard erg dankbaar onderwerp koos Jadwiga Zukowska toen ze kleine kinderen liet praten over Skad sie biora dzieci ofwel Waar komen de baby’s vandaan? Wanneer we tenslotte nog vermelden de korte documentaire Moi znajomi (Mijn vrienden), van Bohdan Kosinski, waarin een oude Poolse cameraman, die al in 1908 actief was, over zijn ervaringen vertelt en waarin zijn verhaal geïllustreerd wordt met door hemzelf jaren geleden gemaakte opnamen, dan hebben we niet alle en ook niet alleen maar de goede en de heel goede Poolse korte films behandeld welke er in de eerste week van het Krakaufestival te zien zijn geweest, maar wel hopelijk een indruk gegeven van hetgeen die week zo door de bank genomen opleverde.
In het tweede, internationale, deel van het festival kwamen ongeveer dezelfde genres in ongeveer dezelfde kwantitatieve verhouding aan bod als in het eerste. Ook hier teken- en poppenfilms, waaronder Margaritka (De margriet), van de Roemeen Todor Dinov, over de man die een margriet probeert te plukken, maar daarin niet slaagt welke hulpmiddelen hij ook aanwendt. Dan komt er echter een kind dat de bloem wel eenvoudigweg kan afbreken. Verder een geestige tekenfilm uit Tsjechoslowakije van Milos Macourek, Jak si opatrit hodne dite (Hoe krijg ik gehoorzame kinderen?), waarin gesteld wordt dat het jeugdprobleem van de baan is wanneer men van kinderen eendere automaten maakt.
Uit Frankrijk La planete verte (De groene planeet), een quasi-filosofisch betoog over een niet-bestaande planeet van Piotr Kamler en uit Italië van Bruno Bozzetto II signor rossi compra l’automobile (Meneer Rossi koopt ’n auto), over het mannetje dat zich ervoor schaamt geen auto te bezitten en er zich eindelijk één aanschaft. Een onconventioneel getekende film uit Amerika The Top (De top), van Teru Murakami, brengt het menselijke streven naar de top van de maatschappelijke ladder in beeld, terwijl de Bulgaarse film Mascarade, van Christo Topuzanow, de wederwaardigheden vertelt van een hypocritisch mannetje dat honderden verschillende maskers draagt, maar dat geen eigen gezicht blijkt te hebben.
Het streven naar meer snelheid wordt geparodieerd in de Franse film Plus vite (Sneller), van Peter Doldes; Norman McLaren tenslotte zorgde weer voor een ingenieuze grap met Mosaic.
Van de oorlogsdocumentaires noemen we een indrukwekkende Russische film Poslednije pisma (De laatste brieven), evenals de Poolse film Feldpost Osten 1942/44 gebaseerd op brieven van Duitse soldaten van het Oostfront. Met name de Goebbelse propaganda wordt hier op verpletterende wijze aan de kaak gesteld. Indirect met de Tweede Wereldoorlog te maken heeft de Oost-Duitse documentaire Kommando 52, over voormalige leden van Hitlers Wehrmacht die nu, onder andere vlag, hun moordwerk voortzetten in de Congo. Uiteraard hier en daar erg tendentieus, maar toch ook verbijsterend en onthullend. Regie: Walter Heynowski.
Tendentieus is ook een andere Oost-Duitse film Ehrenmänner (Mannen van eer), van dezelfde filmer, over de vrouwen en kinderen van mannen, die over de muur klommen en naar het Westen vluchtten. Zo’n film, hoe propagandistisch dan ook, doet je in ieder geval realiseren dat ook de muur twee kanten heeft.
Een kort speelfilmpje uit Zweden Pianolektionen (Pianoles), laat een jongeman zien die zich tijdens de les inbeeldt dat ie met zijn lerares in allerlei opwindende situaties geraakt. Aardig gedaan en niet gespeend van poëzie. Een triest accent plaatst de regisseuse Vera Nordin aan het slot wanneer de lerares, die tot dan toe alleen in de verbeelding van de jongen een erotische rol heeft gespeeld, hem met een weemoedige blik door het raam nakijkt.
In Le drama de taurreau (Het drama van de stier), van de Franse filmer Lucien Clergue, wordt ons een verbijsterende visie op het stierengevecht gegeven. We beleven het namelijk gezien door de ogen van de stier en ondergaan het daardoor als een afschuwelijke zaak, hoewel het natuurlijk niet juist is te suggereren dat de stier dezelfde gevoelens zou hebben als de mens, die nu dankzij de camera z’n plaats inneemt. In ieder geval een knap filmpje, ook cameratechnisch.
Een kort speelfilmpje Flora, uit Amerika van Benjamin Hayeem, laat de paniek zien waarin een meisje geraakt wanneer ze haar kleren niet kan vinden. Als ze eindelijk aangekleed en wel haar vriend binnenlaat, is het eerste wat hij doet haar snel uitkleden. Een nogal flauw filmpje, waarin de humor vooral moet komen van het versnelde tempo. Flauw en naïef was ook Karnmerspil (Kamerspel), van de Deen Ole Gammeltoft, over een ruziënd jong echtpaar; veel plezier daarentegen bood de Joegoslavische satire Pecat (Het stempel), over de bureaucratie. De regisseur Branko Celovic had voor kostelijke vondsten gezorgd, zo bijvoorbeeld het slot waarin dankzij een opeenvolging van vernuftige camera-instellingen een ambtenaar langzaam in een stempel verandert. Met de suggestieve impressie van de bouw van een elektriciteitscentrale Spre cer (De hemel tegemoet), uit Roemenië van Titus Mesaros en de schitterende, virtuose film over rolschaatsende jongens, eerder in Cannes vertoond, Skaterdater (Schaatsafspraak), van Noel Black, willen we in optimistische toon dit verslag van een interessant filmfestival beëindigen.
Uit: Critisch Filmforum, jaargang 2 nummer 8, augustus 1966, p. 148-149
Naschrift Fred Bredschneyder
Wanneer het beeld scherp, het geluid goed en de zitplaats niet al te ongemakkelijk is, maakt het niets uit wáár, wanneer en hoe je naar een film kijkt. Tenminste… zolang het donker is. Gaat het licht weer aan, dan maakt het ook voor een beroepskijker toch wel enig verschil of hij daarna op de – al dan niet zonovergoten – Croisette in Cannes staat of in een grauwe straat in Oberhausen. Zijn oordeel wordt er weliswaar niet door beïnvloed, maar zijn humeur wel. Filmdistributeurs, die menen dat goedgehumeurde critici beter over hun films zullen oordelen en hen derhalve, bijvoorbeeld bij persvoorstellingen in de watten leggen, zullen er overigens langzamerhand wel achter zijn gekomen dat die vlieger niet opgaat. Naar ik althans vurig mag hopen.
Ook wanneer je als tv-filminkoper weer eens een weekje in Milaan, Londen of Monte Carlo was, stond je agenda al gauw niet alleen aardig vol met films die je wilde bekijken, maar ook met afspraken voor lunches, diners, recepties en andere aardige tijdspasseringen waartoe je vriendelijk werd uitgenodigd. Menig gastheer hoopte uiteraard dat je na de ‘bouillabaisse’ alsnog de film zou contracteren, die je al als ‘oninteressant’ in je boekje had staan.
Er werden ook uitstapjes georganiseerd. Zo heb ik in Polen met een houtvlot een woeste bergstroom bevaren. Dat was weer eens heel iets anders dan het bezichtigen van een Italiaans kasteel of een Schotse whiskey-stokerij. Op de foto, die een collega maakte, zit ik er redelijk stoer bij. Zeker voor iemand die niet zwemmen kan. “Maar”, zo had men mij vooraf ter geruststelling verzekerd, “dat maakt niets uit, want ook ervaren zwemmers slaan hier onmiddellijk op de rotsen te pletter.”
Overigens was het in Oost-Europese landen als Polen wat spijs en drank betreft maar behelpen in vergelijking met het Westen. In Moskou was dat nóg erger, zo verzekerden mij collega’s die er al eens waren geweest en die mij wilden voorbereiden op hetgeen mij te wachten stond bij mijn bezoek aan Teleforum in 1970. Ze hadden niets overdreven. Omdat bovendien de vertoonde Oost-Europese tv-programma’s weliswaar dikwijls prachtig, maar overwegend nogal somber van toon waren, liep ik niet bepaald fluitend over het Rode Plein.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #15, in de Filmkrant #114, juli/augustus 1991