Een gesprek met Juan A. Bardem
“Ik maak geen kosmopolitische films, maar ik ken het Spaanse volk en ik geloof dat, wanneer ik in dat volk op zoek ga naar de mens, ik een meer universele taal spreek, dan de meeste zogenaamde kosmopolitische films doen”, aldus de Spaanse regisseur Juan Antonio Bardem, tijdens een rustig gesprek op het allesbehalve rustige terras van Hotel Martinez in het nog veel minder rustige Cannes.
Zijn nieuwe film La venganza maakte deel uit van het officiële festivalprogramma, terwijl hij in voorgaande jaren reeds furore had gemaakt met Muerte de un ciclista en Calle mayor.
De eerste film is ook in ons land in de Franse versie vertoond, hetgeen Bardem betreurde. “Want hoewel ik in het eigen volk op zoek ben naar de mens, die overal ter wereld dezelfde is, spreekt die mens letterlijk een andere taal. En men moet die taal niet vervangen.”
Op onze vraag hoe zijn films in zijn eigen land zijn ontvangen antwoordde Bardem ons, dat het vooral de jongeren, en met name de intellectuele jongeren, zijn, die zijn films waarderen. Over de appreciatie van zijn films in het buitenland wist hij van De dood van een wielrijder te vertellen dat deze film in Amerika niet met gejuich is ontvangen. “Waarschijnlijk omdat de Amerikanen er niet het ‘boy meets girl’-thema in hebben kunnen ontdekken. Dat thema interesseert mij namelijk niet.”
Wat ze er wel in hadden moeten ontdekken was de degeneratie van de Spaanse aristocratie. “Al mijn films hebben een sleutel. Wanneer men die sleutel niet vindt dan zou men kunnen menen met gewone melodrama’s te doen te hebben. Het feitelijke verhaaltje van De dood van een wielrijder is niet zo belangrijk, maar wel hetgeen er mee aangetoond wordt.”
Over de “sleutel” van zijn nieuwe film La venganza vertelde Bardem: “Ik heb duidelijk willen maken dat men door liefde en grotere solidariteit in staat is de kunstmatige verdeling van mensen in goeden en kwaden te doorbreken. Dat is de boodschap die, in een nationaal kader gevat, naar ik meen ook universeel geldig is.”
“Ook voor La venganza geldt weer dat men deze boodschap moet ontdekken, wil men de film niet ondergaan als een melodrama.”
Ons gesprek had plaats vóór de première van La venganza. Op de daarna volgende persconferentie verklaarde Bardem zeer teleurgesteld te zijn door de kille, haast vijandige manier, waarop het publiek van de galavoorstelling zijn film had ontvangen. Dit in tegenstelling tot de reactie van de bezoekers van de eerste avondvoorstelling. En wederom vroeg hij de aandacht voor de “sleutel”.
Wij moeten bekennen tot de “kille” toeschouwers behoort te hebben. Want hoewel we van de maker zelf een inleiding tot zijn werk hadden gekregen, maakte La venganza inderdaad op ons de indruk van een melodrama. Met alle charmes van dien overigens. Een melodrama daarenboven, dat bruist van het Spaanse leven, maar dat compositorisch en zeker naar de filmische uitbeelding in geen enkel opzicht met De dood van een wielrijder kan worden vergeleken.
Overigens lopen de meningen nogal uiteen. U zult dat waarschijnlijk in dit nummer van Filmforum kunnen constateren, wanneer u het festivalverslag van Bertina leest.
Waar in een interview de “blik in de toekomst” nu eenmaal nooit pleegt te ontbreken, hebben ook wij Bardem naar zijn plannen gevraagd. Hij blijkt rond te lopen met het idee voor een film over stierenvechters. Gevraagd daar iets over te vertellen stond hij al meteen weer in vuur en vlam, ons bezwerend dat, hoewel deze film op het eerste gezicht misschien de indruk zal maken een aardig verhaaltje over de ‘torrero’ te vertellen, de opzet is de sociale aspecten van dit beroep te belichten.
“Wist u dat er van de honderden jongens die het tot stierenvechter willen brengen zo nu en dan hoogstens één werkelijk een torrero wordt? De anderen komen niet verder dan de ondergeschikte functies in de arena of verdwijnen anoniem in een poel van ellende. Maar ook die ene torrero moet een gevecht op leven en dood leveren, niet alleen met de stier maar meer nog met het publiek, dat hem maken en breken kan. Die aspecten wil ik belichten, niet de ‘glamour’ en het klatergoud van het bonte spel in de arena.”
Wellicht zal Juan Antonio Bardem zich met deze film revancheren. Revancheren althans voor hen, die, zoals wij, van mening zijn dat hij met La venganza niet het grote talent heeft gedemonstreerd, dat ontegenzeglijk in hem huist.
Uit: Filmforum 1958, p. 116
Naschrift Fred Bredschneyder
(Over bezoek aan een televisiebeurs tijdens het filmfestival van Cannes in 1958)
Helaas werden in die dagen televisiemensen nu niet bepaald met open armen in de filmwereld ontvangen. Ze werden zelfs min of meer spottend, dan wel argwanend, bejegend. Spottend, omdat ze als ‘klanten’ niets voorstelden, en argwanend, omdat ergens diep in de harten gevreesd werd, dat de televisie op een kwade dag een bedreiging voor de ‘business’ zou gaan vormen. Het Elfde Internationale Filmfestival Cannes stond dus niet te dringen om filminkopers van de televisie alle denkbare faciliteiten te verlenen. Maar omdat ik óók medewerker van het maandblad Filmforum was, kon ik met die pet getooid toch een graantje meepikken. Oók in letterlijke zin. Waren immers de vele cocktailparty’s, met hun overvloed aan hapjes en drankjes, aanvankelijk voor mij taboe, dankzij Juan Antonio Bardem, de regisseur van onder andere Muerte de un ciclista en Calle mayor, kreeg ik zowaar een uitnodiging voor een ‘Spaanse’ receptie. Ik had hem min of meer toevallig ontmoet en hem meteen voor Filmforum geïnterviewd naar aanleiding van zijn nieuwste film, La venganza, die in Cannes draaide.
Het Spaanse partijtje werd druk bezocht. Het werd me al snel duidelijk, dat er enige behendigheid voor nodig was om van de heerlijkheden, die op de aanvankelijk rijk voorziene maar al gauw leeggeplunderde tafels waren uitgestald, te kunnen genieten. Maar toch stond ik op een gegeven moment met een toastje-met-het-één-of-ander-erop in mijn hand. Een dame vroeg me of ik voor haar een papieren servetje van een, iets te ver van haar verwijderd, stapeltje wilde pakken. Ze wilde ook weten wat ik van La venganza vond. Ik had net het eerste woord van wat een Franse volzin moest worden, uitgesproken, toen er van alle kanten fototoestellen op mij werden gericht. “Wat ging er op dat moment door je heen?”, zouden ze in sportkringen hebben gevraagd. Mijn antwoord zou zijn geweest, dat ik toch minstens een seconde of twee, drie had gedacht, dat al die belangstelling mij gold. Het bleek echter om de dame náást mij te gaan: de Spaanse actrice Carmen Sevilla. lk had haar anderhalf uur lang in haar 24e film, La venganza, levensgroot op het doek gezien, maar nu ze zoveel kleiner vlak naast me stond, had ik haar niet herkend.
Ze werd opgeslokt door de haar omringende fotografen en journalisten en verdween met hen uit mijn gezichtsveld. Daar stond ik; mét haar servetje en met het antwoord op haar vraag op de lippen. Dat antwoord heb ik later verwerkt in het artikeltje voor Filmforum, waarin ik van mijn ontmoeting met Juan Antonio Bardem verslag deed. lk schreef dat La venganza weliswaar bruist van het Spaanse leven, maar dat de film geen demonstratie is van het grote talent, waarover de maker van De dood van een wielrijder ontegenzeggelijk beschikt. Het zou bij nader inzien niet zijn meegevallen, dat in vloeiend Frans te formuleren!
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #14, in de Filmkrant #113, juni 1991