Televisie is geen film. Beschouwingen over televisie horen dus niet in Filmforum thuis. Dit artikeltje wel, omdat het betoogt dat televisie geen film is.
De uiterlijke overeenkomst tussen film en televisie is evident. Bij het betreden van een televisiestudio wordt uw aandacht opgeëist door activiteiten, die op het eerste gezicht gelijkenis vertonen met die, welke men in een filmstudio kan waarnemen. De bezitter van een televisietoestel kijkt evenals de bioscoopbezoeker naar een scherm, zij het dan, dat dit scherm de bovenkant van een lamp is. De beelden, die op dat scherm verschijnen, zijn vaak identiek met de beelden in een film. Er zijn close-ups, long shots, medium shots etc.
Het verschil echter, dat de televisiekijker, ook al heeft hij geen behoefte om zich te bezinnen op de karakteristieke eigenschappen van de televisie, onmiddellijk zal opvallen, is dat bijvoorbeeld de voetbalwedstrijd, die hij op zijn toestel volgt, de wedstrijd van hedenmiddag is, terwijl het filmjournaal in de bioscoop hem een min of meer nauwkeurig verslag geeft van de wedstrijd van verleden week. De televisie geeft dus een gebeurtenis weer, die zich op hetzelfde moment ergens in het land of zelfs ter wereld voltrekt.
Wij zijn hiermee meteen bij de kern aangeland. Bij televisie is er altijd sprake van een gebeurtenis. Bij televisie is voorts altijd sprake van een directe weergave van die gebeurtenis.
Het ook in de televisie gebruikte filmjournaal, de ten behoeve van toneelopvoeringen vervaardigde filminlassen etc. kunnen we hier gevoeglijk buiten beschouwing laten, waar de televisie dan gebruik maakt van het medium film en vervolgens als huisbioscoop fungeert.
De door de televisie weer te geven gebeurtenissen kunnen van zeer uiteenlopende aard zijn. Van voetbalwedstrijden en demonstraties van efficiënte methodes om een rok te knippen tot toneel-, opera- en andere voorstellingen.
Bij de film is er geen sprake van een gebeurtenis. De filmer verzamelt beelden van een bestaande of geconstrueerde werkelijkheid en bouwt daarmee een nieuwe, artistieke, realiteit op, die als totaliteit uitsluitend op het projectiedoek waarneembaar is. De werkelijkheid, die het object is van een televisie-uitzending, is op het moment van de uitzending behalve op het toestel ook nog ergens anders waar te nemen. De televisie kan haar op een bepaalde manier laten zien, maar dat verandert niets aan het feit dat zij zich dusdoende beweegt in de regionen van de weliswaar niet objectieve weergave, maar dan toch van de weergave, van de reproductie.
De film heeft de mogelijkheden een nieuwe werkelijkheid te creëren, zij is een creatieve kunst, die daarenboven autonoom is, omdat zij haar middelen niet aan andere kunstuitingen behoeft te ontlenen. De televisie is door haar bestaansreden, de directe weergave, gebonden aan de realiteit, die zich voor haar ogen, d.i. voor haar camera’s afspeelt. Zij kan o.a. bepaalde details van die werkelijkheid accentueren, door hen in close-up te vangen. Zij vervult dan de functie van de toneelkijker, die de schouwburgbezoeker op een bepaalde acteur richt. Het is theoretisch mogelijk met de technische middelen, waarover de televisie beschikt, dezelfde vormgeving te hanteren, die de cineast nastreeft. Het gebeurt incidenteel. Op de momenten namelijk, die sommigen als zijnde “net” film toejuichen en daarbij negeren dat zij dus “helemaal geen” televisie zijn.
In de film is het beeld primair, nl. een bouwsteen voor de op te trekken verbeelding, in de televisie is het beeld secundair, nl. afhankelijk van hetgeen waargenomen wordt.
Welke voorstelling, die de televisie kan presenteren, men ook bij de kop neemt, steeds zal men geconfronteerd worden met de omstandigheid dat de televisie een realiteit laat zien, terwijl de film een realiteit is. De televisie hoort dus thuis bij de ontegenzeglijk nuttige en zegenrijke vindingen, die het blikveld van de mens verruimen of hem de gelegenheid bieden een kunstmanifestatie door te geven, respectievelijk de verrekijker en de grammofoonplaat; de film heeft haar plaats in het gezelschap van de autonome kunstuitingen.
Uit Filmforum 1956, p.112
Televisie als huisbioscoop
Veronderstelt u eens dat u gedurende twaalf achtereenvolgende weken één en dezelfde bioscoop bezoekt en dat u dusdoende het volgende programma krijgt opgediend: Father Brown – Five Fingers (Operatie Cicero) – The Long Arm (Politie zonder wapens) – Gentleman’s Agreement – Antoine et Antoinette – Jeux interdits – The Prisoner – Adam Had Four Sons – Cheaper by the Dozen (Goedkoper per dozijn) – Man on a Tightrope (Een circus vluchtte) – Calle mayor – The Pickwick Papers. Zou u na dat dozijn bioscoopbezoeken onvoldaan zijn? We nemen aan van niet. U zou een zwakke broeder als Adam Had Four Sons waarschijnlijk op de koop toe nemen, maar u zou het programma over het geheel genomen beslist waarderen.
De twaalf opgesomde films zijn gedurende het eerste kwartaal van 1961 inderdaad in een bioscoop vertoond, in een bioscoop zelfs, waarin een schier onbeperkt aantal mensen kan plaatsnemen: de televisie. Zij werden op twaalf achtereenvolgende dinsdagavonden uitgezonden door de NTS of door één van de televisiesecties.
Het zal U bij het lezen van de titels opgevallen zijn dat het hier om films gaat, die op zijn minst drie à vier jaar geleden hun Nederlandse première hebben beleefd. Degenen, die klagen dat de televisie alleen maar oude films vertoont, schijnen dus gelijk te hebben. Ze kunnen ook moeilijk ongelijk hebben, want in een overeenkomst van de Nederlandse televisie met de Nederlandse Bioscoopbond is bepaald dat zogenaamde speelfilms ten minste veertig maanden in ons land moeten zijn vooraleerst ze per televisie mogen worden uitgezonden.
Wanneer een film veertig maanden geleden zijn eerste vertoning in Nederland heeft beleefd kan ie natuurlijk nog niet zonder meer door de televisie worden overgenomen. Dat hangt helemaal van de bereidwilligheid van de betreffende producenten af. Hij mag de film leveren, wanneer die veertig maanden voorbij zijn, maar hij hoeft het niet te doen. Het kan jaren duren voordat hij het doet en er kunnen verschillende redenen voor zijn dat hij het niet eerder doet. De speelfilms, die wèl betrokken kunnen worden, komen door bemiddeling van de afdeling Filmzaken van de NTS in een wekelijks te houden filmshow. Deze filmshow wordt bijgewoond door een Filmkeuzecommissie, die samengesteld is uit vertegenwoordigers van de vijf televisiesecties. We hoeven er geen geheim van te maken, en het is ook beter dat niet te doen, dat wij in die commissie zitting hadden namens de KRO-televisie.
De Filmkeuzecommissie bekijkt de aangetrokken films en doet haar keuze. Het is niet moeilijk het kaf van het koren te scheiden. Minder eenvoudig is het uit te maken of men bepaalde goede films geen slechte dienst bewijst door ze per televisie te vertonen. Niet alle films kunnen de sprong van het grote bioscoopdoek naar het kleine televisiescherm maken zonder bij die sprong verminkt te worden. Om een voor de hand liggend voorbeeld te geven: een kleurenfilm, waarin de kleur verantwoord en dus functioneel is toegepast, verliest veel, zo niet alles, van haar waarde wanneer ze door de televisie, dus in zwart-wit, wordt uitgezonden. Men doet de maker door een dergelijke uitzending beslist onrecht aan. Het televisietoestel geeft de film een ander gezicht dan ze in feite, bij een vertoning in een bioscoop dus, bezit. Bij kleurenfilms springt dat natuurlijk heel duidelijk in het oog, maar het geldt ook voor films, waarin artistiek volkomen verantwoorde, maar voor de televisietechniek soms bezwaarlijke, donkere partijen voorkomen. Het geldt ook voor “drukke” films, films met veel massascènes of met zeer snelle beeldwisselingen. Dat kan een motief zijn om, zij het met bloedend hart, een verantwoorde film voor televisie ongeschikt te verklaren, eenvoudigweg omdat men die film tegen zichzelf moet beschermen.
Er speelt overigens nog een ander probleem mee: het onloochenbare feit namelijk dat men bijvoorbeeld de spanning van een thriller in een bioscoop op een geheel andere wijze ondergaat dan in de huiskamer. Na de gruwelen van, laten we zeggen, Psycho kan men opgelucht de bioscoop verlaten in de wetenschap dat thuis de warme haard en het kopje koffie die gruwelen spoedig zullen doen vergeten. Zou men echter de barre tonelen van Psycho via de televisie in de huiskamer opgediend krijgen, dan is er een goede kans dat men na de uitzending met een zekere schroom langs zijn eigen kelderdeur loopt! Natuurlijk reageren alle kijkers anders, maar in het algemeen mag men toch wel stellen dat er een duidelijk verschil bestaat tussen het vrijwillig naar de bioscoop gaan en het bij het verlaten van die bioscoop afschudden van de opgedane ervaringen en het in zijn eigen huis voorgeschoteld krijgen van zaken, die men na afloop niet kan ontvluchten met de gedachte “thuis is het veilig”, om de doodeenvoudige reden dat nu juist gebleken is dat het thuis niet veilig is! Natuurlijk heeft elk televisietoestel een eenvoudig te bedienen knop, die een eind kan maken aan alle ellende. Zolang echter nog lang niet vaststaat dat iedereen die knop met verstand hanteert moet men bij het kiezen van films voor een televisie-uitzending niet alleen de films maar ook de kijkers tegen zichzelf beschermen.
Naast de speelfilms worden er in de televisie nog vele andere films vertoond. Documentaires met name, waarvoor de veertig-maanden-bepaling niet geldt. Het zal u opgevallen zijn dat de televisie vrij veel documentaire films uitzendt. We menen te mogen zeggen dat hierdoor bij een publiek, dat vroeger de documentaire als een soort opvulsel van het bioscoopprogramma beschouwde, meer waardering voor het genre is ontstaan. Dan is er nog de categorie speciaal voor de televisie gemaakte films, die zowel door korte, maar ook avondvullende, speelfilms als door allerlei soorten documentaires wordt gevormd. Over de productie van deze televisiefilms valt zo het één en ander te vertellen, maar we wilden ditmaal volstaan met U summier aan te geven langs welke weg de film in uw huisbioscoop, de televisie, komt.
Uit: Filmforum 1961, p. 75-76
Naschrift Joost Broeren-Huitenga
Een zeldzaam artikel waarin Bredschneyder schrijft over het medium televisie vanuit zijn blik als filmcriticus. Over het algemeen hield hij die twee pijlers van zijn professionele bestaan van elkaar gescheiden. Althans: zijn filmliefde was wel bepalend in zijn televisiewerk, o.a. als Chef Filmzaken voor de KRO en ‘opperhoofd’ achter de schermen van filmquiz Voor een briefkaart op de eerste rang (1969-1982), maar andersom scheen zijn televisieleven slechts af en toe door in zijn bijdragen aan Filmforum. Daar komt pas verandering in nadat hij in 1985 met de VUT gaat en zijn televisiewerk dus (grotendeels) neerlegt. Hij is tegen die tijd ook niet meer direct als filmcriticus actief, maar schrijft voornamelijk terugblikkend op die ‘actieve’ jaren. Dan blijken de twee toch meer vervlochten dan het leek. Overigens hield Bredschneyder zich als filmchef bij de KRO voornamelijk bezig met die delen van de televisie die hij in het bovenstaande artikel “gevoeglijk buiten beschouwing” wilde laten, de delen die “net film” en dus “helemaal geen televisie” zijn – uitzendingen van films, operettes en (later) tv-series.
Naschrift Fred Bredschneyder
Het stond voor mij als een paal boven water, dat film en televisie in wezen twee heel verschillende zaken waren. Maar er waren toch zoveel raakvlakken en – op z’n minst uiterlijke – overeenkomsten, dat het mij niet onverstandig leek om te trachten in het nieuwe medium een beetje wegwijs te worden. In 1953 werd daartoe een uitstekende gelegenheid geboden. In de kranten verscheen een advertentie, waarin de toenmalige Nederlandse Televisie Stichting een “cursus televisie” aankondigde.
[…]
Wat ik vermoedde, en wat sommige cursisten hoopten, bleek waar te zijn: men wilde na afloop van de cursus degenen, die daarvoor geschikt leken en er interesse voor hadden, een baan aanbieden. lk maakte me daar helemaal niet druk om. Ik wilde alleen maar iets meer over televisie te weten komen. Geen haar op mijn hoofd dacht er aan De Tijd voor de KRO te verruilen.
[…]
In de nazomer van 1954 belde Jan Castelijns het hoofd van de KRO-tv, me op de krant op. “Of ik nog zin in televisie had?” Men kon weer nieuw personeel aantrekken. Mijn medecursist Wim Bary was al aangenomen en mij wilden ze als producer hebben. Op mijn vraag wat de taak van een producer is, antwoordde Castelijns, dat ze dat zelf nog niet precies wisten, maar dat dat wel zou blijken. In ieder geval kon ik half september beginnen.
Enigszins beduusd beloofde ik terug te bellen, waarna ik zo links en rechts aan collega’s vertelde, wat mij was aangeboden. Vrijwel eenstemmig was de reactie: “Je zou wel gek zijn als je dat deed. Televisie is niks en wordt ook nooit wat!” Slechts een enkeling zei: “Waarom zou je het niet proberen? ’t Is in ieder geval een avontuur en als het nergens op uitdraait, kun je altijd weer terug naar de journalistiek.”
lk was het eigenlijk daar wel mee eens en ook mijn verloofde zag het wel zitten. Weliswaar niet van doorslaggevende betekenis, maar beslist niet onaantrekkelijk, was dat Jan Castelijns me een woning in Hilversum in het vooruitzicht had gesteld. Voor iemand met trouwplannen betekende dat in de jaren vijftig nogal wat! Bovendien zou mijn aanvangssalaris bij de KRO bijna het dubbele bedragen van hetgeen ik bij De Tijd verdiende. Niet omdat de omroepen zo met geld smeten, maar omdat het uitoefenen van een journalistiek beroep in die dagen niet bepaald de snelste manier was om rijk te worden. Tenslotte was mij ook nog verzekerd, dat er geen bezwaar tegen was, ja, dat het zelfs gewaardeerd werd, wanneer ik mijn medewerking aan Filmforum zou continueren. Dat laatste vond ik erg plezierig. Ik was er weliswaar niet van overtuigd, dat zonder mij Filmforum en de hele Nederlandse filmjournalistiek in elkaar zou storten, maar ik voelde me als criticus happy. Het leek me trouwens niet kwaad om iets achter de hand te hebben, voor het geval de zaken verkeerd zouden uitpakken.
Kort en goed: op 15 september 1954 belde ik bij de Hilversumse villa aan, waarin de KRO-televisie was gehuisvest.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #8, in de Filmkrant #107, december 1990