Plotseling zeven dochters (J’avais sept filles)
Regie: Jean Boyer.
Een ouder wordende graaf heeft dermate intens geleefd, dat zeven in financiële moeilijkheden verkerende danseresjes hem wijs kunnen maken zijn dochters te zijn. De graaf van middelbare leeftijd is Maurice Chevalier, de zeven meisjes zijn charmant, maar voor het overige geeft het nu niet bepaald fijne gegeven slechts aanleiding tot op zijn zachtst gezegd banale situaties en dialogen. Jean Boyer heeft wel eens spiritueler dingen gedaan.
Geen liefde duurt eeuwig (Les amants du Tage)
Regie: Henri Verneuil.
In feite draait deze trieste Franse film om een driehoeksverhouding. Maar niet één van het gebruikelijke soort. De derde, of liever gezegd de tweede, man is nl. geen medeminnaar maar een inspecteur van Scotland Yard, die een jonge weduwe schaduwt omdat op haar de verdenking rust dat zij haar man heeft vermoord. Zij heeft ondertussen liefde opgevat voor een Parijse taxi-chauffeur, die zijn vrouw heeft doodgeschoten. U ziet, ’t is een nogal sombere intrigue, die gemakkelijk aanleiding had kunnen geven tot een larmoyante geschiedenis. Henri Verneuil is aan dit gevaar ruimschoots ontkomen. Hij geeft zijn personen het reliëf dat zij nodig hebben om figuren te worden die onze aandacht verdienen. Hij maakt goed gebruik van Lissabon en omgeving, waardoor zijn film een documentaire inslag krijgt. Mede hierdoor, maar ook door een in andere fragmenten gevoelig registrerende camera is Les amants du Tage een boeiende film geworden. Somber en navrant, maar zonder het geestelijk sadisme, dat somberheid en tristesse exploiteert.
De mooiste vrouw ter wereld (La donna più bella del mondo)
Regie: Robert Z. Leonard.
U bent natuurlijk niet onkundig gebleven van het bezoek, dat Gina Lollobrigida aan ons land heeft gebracht tot meerdere glorie van de gala-première van De mooiste vrouw ter wereld. U hebt misschien ook gelezen dat sommige scribenten tot hun teleurstelling moesten constateren, dat de actrice minder persoonlijkheid bezit dan zij hadden verwacht. Maar waarom verwachten zij persoonlijkheid van een filmster? Waarom verwachten zij eigenlijk iets van een filmster? Wij verwachten iets van een filmregisseur en van niemand anders. Niet van een script girl, niet van een decorontwerper, niet van de kleedster of de kapster en evenmin van de ster, ook al is die door de Nationale Bond van Bersaglieri met een hoge onderscheiding vereerd. Enfin, de Amerikaanse regisseur Robert Leonard heeft het leven van een legendarische Italiaanse zangeres willen verfilmen. Het resultaat is een Gina-parade geworden. Voor de liefhebbers dus. Maar niet van de filmkunst!
Bakermat der helden (The Long Gray Line)
Regie: John Ford.
We hebben iets tegen het militarisme. We hebben zelfs iets tegen het militarisme dat niet van Duitse makelij is. Daarom kunnen we een film als Bakermat der helden niet pruimen. Hoofdpersoon is de militaire academie in West Point, waaruit dus volgens de Nederlandse titel de helden aan de lopende band tevoorschijn komen. We krijgen een “fris en vrolijk” beeld van het leven op die academie. Compleet met mannelijke stoerheid en sentimentaliteit. We krijgen ook een volkomen verschuiving van menselijke waarden. Eén staaltje slechts: een slechts enige uren oud geworden baby sterft. De moeder treurt om haar kindje. Waarom? Omdat zij nu haar zoon nooit in de rijen van de cadetten van West Point zal kunnen zien marcheren! John Ford is de maker van dit product, waar de propaganda duimendik bovenop ligt. Hij heeft ons in onze afkeer van dit gedoe alleen maar kunnen sterken.
Avontuur in Hongkong (Soldier of Fortune)
Regie: Edward Dmytryk.
U en ik zijn het er over eens dat een goede film alleen maar door een goede regisseur gemaakt kan worden. Maar denkt u daarom niet dat een minder goede film per se het werk van een minder goede regisseur moet zijn. Zelfs niet van een goede regisseur in een minder briljante bui. Er zijn in het moderne productieproces van de industriefilm vele factoren, die ertoe kunnen leiden dat een vakkundig en begaafd regisseur een film onder zijn handen vandaan laat komen, die een minder met talenten uitgeruste collega net zo goed had kunnen maken. Nu kunt u daar tegenin brengen dat die regisseur dan ook maar de, meestal buiten het artistieke terrein vallende, factoren naar zijn hand moet zetten. Maar het zijn er maar weinigen, die daarin slagen, en degenen, die geen compromis wensen en dus het non-actief verkiezen, zijn helemaal op de vingers van één hand te tellen. Kort en goed: de gevoelige regisseur Edward Dmytryk, wiens Give Us This Day, Crossfire en The Juggler we niet zo snel zullen vergeten, heeft met Avontuur in Hongkong een heel gewone avonturenfilm gemaakt volgens het overbekende recept. Spannend en gezellig om tegenaan te kijken en… en meer niet!
De zigeuners (Aleko)
Regie: Sergei Sidelow.
De tijd van de felle, bezielde filmmanifestaties, waarvoor in figuurlijke zin het doek te klein was, schijnt voor Rusland definitief voorbij te zijn. Wat we zo nu en dan nog te zien krijgen geeft allesbehalve reden tot juichen. Ditmaal is er weer een verfilmde opera aan de orde, die men omwille van Rachmaninoff als beziens- en beluisterenswaardige curiositeit kan beschouwen maar voor het overige niet in het geheugen gegrift zal worden.
Bezeten talent (Prince of Players)
Regie: Philip Dunne.
Prince of Players verhaalt de geschiedenis van de Amerikaanse acteur Booth, die een zware strijd te voeren heeft eer hij door het publiek wordt erkend. Hij is namelijk de broer van de moordenaar van president Lincoln. Uiteindelijk wint de toneelspeler, die we in enige Shakespeare-stukken zien optreden, het pleit. De film is tijdens het zo geslaagde Filmfestival in Arnhem voor de eerste maal vertoond. Thans is zij normaal in roulatie gekomen. Een opzienbarend werk is het zeker niet, maar voornamelijk omwille van het boeiende gegeven is het wel de moeite waard.
Uit: Filmforum #210, 1955
Naschrift Joost Broeren-Huitenga
Naast de onderstaande anekdote rond Gina Lollobrigida, is bovenstaande geselecteerd als typerend voorbeeld van de rubriek Beeldvenster, die Fred van 1954 tot en met 1969 schreef in het tijdschrift Filmforum (later Critisch Filmforum). Het toont zijn grote vaardigheid op ‘de korte baan’, door in slechts enkele regels een film te kenschetsen. Een vaardigheid die hij al scherpte vanaf zijn eerste dagen bij dagblad De Tijd, zoals hij memoreert in Flashback #4 – naast de diepere beschouwingen van A. van Domburg kreeg hij “de gelegenheid om in vier of vijf regels mijn mening over films te spuien”. Het is een vaardigheid die hij nooit verloren is, en die na het verdwijnen van Beeldvenster doorloopt in zijn bijdragen voor de Film Informatie Dienst.
Naschrift Fred Bredscheyder
Zo stond ik op een herfstdag in 1955, samen met de cameraman Fred Romeyn, onderaan de vliegtuigtrap, waarlangs de Italiaanse filmster Gina Lollobrigida naar beneden zou komen teneinde de Nederlandse bodem te betreden. Als rechtgeaard filmcriticus, opgevoed in de traditie dat aan sterren géén, of hoogstens op smalende toon aandacht mocht worden geschonken, zou geen haar op mijn hoofd er aan hebben gedacht terwille van ‘La Lollo’ naar Schiphol te tijgen. Maar ik was er om een onderwerp voor het tv-journaal te maken. Dat moesten de omroepen in die tijd zelf doen. En dan was je allang blij wanneer je tijdig wat ‘items’ kon verzamelen. […] Zoals het bezoek van Gina Lollobrigida aan Nederland bij gelegenheid van de galapremière van La donna piú bella del mondo van Robert Z Leonard. Zij speelde daarin de rol van de, zowel om haar stem als om haar schoonheid, legendarische operazangeres Cavalieri. Bij de KRO vond men dat wel een aardig journaalonderwerp en toen de vraag aan de orde kwam wie dat dan wel zou moeten maken, keek men als één man in mijn richting. Ik wist immers zoveel van film!
Nadat Gina Lollobrigida de vliegtuigtrap was afgedaald, ging het richting Amstel Hotel, waar de persconferentie zou worden gegeven. Te midden van een horde journalisten, en vooral fotografen, zat Gina met haar echtgenoot op een bank. De meeste vragen, die op haar werden afgevuurd, werden niet door haar, maar door hem beantwoord. Zelf zat ze voornamelijk enigszins vaag voor zich uit te kijken. Maar plotseling werd haar aandacht getrokken door iets in de hoek van het overvolle vertrek. Daar had zich de befaamde opera- en zangdeskundige Leo Riemens geïnstalleerd. Compleet met een oude grammofoon, waarop hij een 78-toeren-plaat van Lina Cavalieri afspeelde. “Wie is dat?”, vroeg Gina.
Een begrijpelijke vraag, want ook al was Leo Riemens in ruime kring vermaard, je hoefde niet te verwachten dat letterlijk iedereen hem kende. Dus ook Gina Lollobrigida niet. Ze bedoelde echter niet Riemens, maar de stem, die uit de grammofoon klonk. “Dat is Lina Cavalieri!”
Nu kán ik het me verbeeld hebben, maar Lollobrigida trok een gezicht alsof ze die naam voor het eerst van haar leven hoorde. Het zou natuurlijk te mooi voor woorden zijn geweest als ze inderdaad niet geweten had, wie de vrouw was in wier huid ze volgens de reclame gekropen was! Met één klap zouden dan immers alle theorieën over de onbenulligheid van filmsterren in het algemeen en over het gebrek aan intelligentie van mooie filmsterren in het bijzonder zijn bevestigd. Maar, nogmaals, misschien heb ik het me verbeeld. Hoewel…
Zou ik overigens enige wroeging hebben gehad over het feit, dat ik – zij het als filmmedewerker – me enkele uren in de onmiddellijke nabijheid van een filmster had opgehouden, dan heb ik dat als medewerker van het maandblad Filmforum – al dan niet bewust – afgereageerd. In het nummer van november 1955 schreef ik: “U bent natuurlijk niet onkundig gebleven van het bezoek, dat Gina Lollobrigida aan ons land heeft gebracht. U hebt misschien ook gelezen, dat sommige scribenten tot hun teleurstelling moesten constateren, dat de actrice minder persoonlijkheid bezit, dan zij hadden verwacht. Maar waarom verwachten zij persoonlijkheid van een filmster? Waarom verwachten zij eigenlijk iets van een filmster? Wij verwachten iets van een filmregisseur en VAN NIEMAND ANDERS!”
Kijk, dat was de ware mentaliteit.
Stoere taal trouwens ook.
Maar zó schreef ik nu eenmaal.
Althans: soms.
Bij voorbeeld in november 1955.
In Filmforum.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #10, in de Filmkrant #109, februari 1991