Wanneer wij beogen de in ons land roulerende films hier aan kritische beschouwingen te onderwerpen, is het wel dienstig vooraf aan te geven, welke maatstaven wij bij deze beoordeling wensen aan te leggen. Vooropgesteld zij, dat we geloven in film als een nieuwe, onafhankelijke kunst. De filmkunstenaar immers is in staat zijn stof met behulp van geheel eigen, zuiver “filmische” middelen uit te beelden. Dat dit slechts incidenteel gebeurt en in de meeste films slechts fragmentarisch voorkomt, doet aan de bestaansmogelijkheden van de cinematografie als kunst niets af.
Voor vele strenge vormcritici is de aangegeven voorwaarde de “conditio sine qua non”, hetgeen hier niet aan voldoet, verwerpen zij. Wij zullen niet zo puriteins te werk gaan. Op de eerste plaats omdat er dan nog slechts weinig zou resteren, voorts omdat vele producten door hun inhoud zo belangrijk zijn, dat men ze niet als bagatellen kan behandelen, ook al voldoet de vormgeving niet aan filmische maatstaven.
In dit laatste geval treedt de cinematografie dus op als reproducent van andere kunstuitingen. Vermelden we als voorbeeld De vrouw van den bakker (La femme du boulanger). De camera en de microfoon registreerden hier het toneelspel van Raimu. Maar deze verfilmde toneelkunst was naar vorm en inhoud zo boeiend, dat wij haar waarderen. Noemen we voorts de producten, waarin de een of andere beroemde zanger(es) verwikkeld is in een meestal onbenullig verhaaltje, dat hem of haar in de gelegenheid stelt in zo veel mogelijk operafragmenten te schitteren, die dan netjes gefilmd worden. De voorbeelden hiervan liggen voor het grijpen. Benjamin Gigli, Tito Schipa, Richard Tauber e.a. hebben een belangrijk deel van hun populariteit te danken aan het feit dat ze als “filmster” optraden.
Dat het niet nodig is operafragmenten aan te wenden als in aangegeven producten, bewees Willy Forst in zijn Operette. Ook hier fragmenten, ditmaal van operettes, doch slechts kleine flitsen ervan, gevat in een ritmische stroom van beelden met een dramatische functie n.l. om o.m. de concurrentiestrijd tussen twee theaters uit te beelden.
Het veel gemaakte verwijt, dat de verfilmde kunst treft, is dat zij de vooruitgang der cinematografie belemmert. Dit verwijt is zeker niet van waarheid ontbloot. Wij wensen deze gang van zaken dan ook niet te stimuleren en zullen steeds de nadruk leggen op het onfilmische van dergelijke producten. Tevens accepteren wij deze reproducerende functie van de film slechts dan, wanneer het gehalte van de te registreren kunst dit motiveert, dus niet wanneer zij toegepast wordt om een groot aantal onbelangrijke shows e.d. vast te leggen, zoals dit veelvuldig in Amerikaanse films geschiedt.
Met de in deze regelen aangegeven maatstaven zullen wij de hedendaagse filmproductie gaan meten, die zich zoals steeds weer kenmerkt door te grote kwantiteit, waaraan de kwaliteit meestal omgekeerd evenredig is. We beleven op dit moment de 2e invasie van Amerikaanse films en het ziet ernaar uit, dat zij weer een belangrijk procent van de import gaat uitmaken. Dit is te betreuren, immers, de resterende procenten kunnen dan slechts bestaan uit Engelse, Franse en Russische films, zodat we weinig of niets van de kleinere filmlanden te zien zullen krijgen. Een kennismaking met de producten van deze laatste categorie filmvervaardigers kan onze blik slechts verruimen en ons tevens vaak voor verrassingen plaatsen.
Moeten we in dit verband nog wijzen op De laatste kans (Zwitserland)? Deze film was een verademing, waar zij teruggreep naar de specifieke film-uitrustingsmiddelen. En het is zeker niet alleen haar actuele stof die doorslaggevend was voor publiek en kritiek om genoemde film tot de beste te rekenen, maar wel degelijk mede deze vormgeving.
Daar echter een filmimport evenals alle andere importen geregeerd wordt door de commercie, zullen we ’t wel niet beleven dat een zo groot mogelijke verscheidenheid (wat nationaliteit aangaat) nagestreefd wordt en zal voornamelijk het Amerikaanse product wel de topplaats in blijven nemen omdat het merkwaardigerwijze steeds een kassucces is.
Uit: Het Zaterdagavondblad, jaargang 1 nummer 2, 15 februari 1947
Ter kennismaking
Door het verschijnen van De Wereldburger zijn wij wederom in staat gesteld voor een wereldfederalistisch blad een film- en toneelrubriek te verzorgen. Het komt ons dienstig voor, speciaal ten behoeve van de lezers die onze rubriek, zoals zij indertijd respectievelijk in Het Zaterdagavondblad, Wereldeenheid en De Wereldfederalist verscheen, niet kennen, in deze beschouwing aan te geven, welk karakter wij onze artikelen wensen te verlenen.
Propagandafilms
Wanneer Emery Heves aan het slot van zijn Anatomie van de Vrede suggereert dat de film, de pers en de radio ingeschakeld moeten worden in de propaganda voor het wereldfederalistisch ideaal, dan erkent hij met deze suggestie de belangrijkheid van deze drie publiciteitsmogelijkheden. En terecht; het hoeft immers geen betoog dat met name de film een buitengewoon effectief propagandamiddel kan zijn, niet alleen echter als zuiver technisch registratieapparaat, maar ook en vooral, als nieuwe zelfstandige, uiterst suggestieve, kunstuiting. Dit moge tevens gelden o.m. voor het geschreven en gesproken woord in zijn verschillende verschijningsvormen als het toneelspel, de roman, de journalistieke reportage etc. Het heeft dus alle zin de films die als verspreider van de wereldfederatiegedachte optreden in De Wereldburger uitvoerig te analyseren en te testen op haar artistieke waarde, waar deze het propagandistisch effect voor een goed deel bepaalt.
Het woord propagandafilm heeft voor velen misschien een bepaald onsympathieke klank omdat zij in dit genre teveel werken zagen die in plaats van bezield en bezielend hopeloos vervelend waren. Men begrijpe ons echter goed; ook wij wensen behoed te worden voor passieloze producten, door niet-geïnteresseerde outsiders slechts als gevolg van een opdracht gemaakt en dus meestal gespeend van kunstzinnige waarde. Ook wij speuren naar films geboren uit de geest van wereldfederalistische cineasten, die hun ideeën willen, moeten uiten met behulp van hun instrument: de film.
Helaas is de huidige situatie zo, dat, wanneer wij ons in deze rubriek tot de bespreking van al of niet geslaagde wereldfederalistische propagandafilms zouden beperken, wij hoogstens tweemaal in het jaar uw aandacht zouden kunnen opeisen. Dat deze films nog zo dun gezaaid zijn, zal iedere lezer met ons betreuren. Of de lezers droevig gestemd zouden zijn, wanneer wij eveneens zo zelden in deze kolommen zouden verschijnen, laten we aan hun beleefdheid over!
Hoe dit echter ook zij, wij zullen ons niet tot dit genre bepalen. Alle films immers die zich bezig houden met problemen als: oorlog en vrede, broederschap en broederhaat, sociale- en andere gevolgen van de oorlog, verdienen onze belangstelling omdat deze onderwerpen ten nauwste met ons streven samenhangen. Reden waarom wij dergelijke films eveneens binnen de gezichtskring van deze rubriek trekken.
Wij wensen ons echter verre te houden van geforceerde interpretatie om op deze wijze bepaalde werken in ons kader te persen, hetgeen overigens voor ons geen motief zal zijn films, die buiten de wereldfederatiegedachte vallen, te veronachtzamen. Ieder goed kunstwerk immers, vervult een ambassadeursfunctie voor het land van zijn herkomst. Het zijn afgevaardigden, die onze opmerkzaamheid richten op ons onbekende of door ons te weinig gekende landen, volken, mentaliteiten en sferen. Dat deze werking van niet te onderschatten betekenis is voor de groei van de wereldsolidariteit, springt dunkt ons duidelijk in het oog. Na hetgeen we hier ten aanzien van de film gezegd hebben, welke opmerkingen we ook op het toneel wensen toe te passen, hopen we op Uw belangstelling te mogen rekenen, zodat wij U uitnodigen ons wekelijks te vergezellen op onze wandeling door de wereld van het toneel en de tuin der filmkunst. Op welke reis wij de artistieke maatstaven zeker niet thuis wensen te laten omdat, en dit benadrukken we nogmaals, de waarde en zeker het effect van het betoog dat een film of toneelspel bevat in hoge mate van het al of niet beantwoorden aan deze maatstaven afhankelijk is.
Uit: De Wereldburger #1 (25 februari 1950)
Naschrift Joost Broeren-Huitenga
Het komt tegenwoordig zelden voor dat een filmcriticus zo expliciet zijn ‘geloofsbeginselen’ op papier zet. Het is een teken des tijds – de critici die zich verzamelden in het Franse Cahiers du cinéma en aan de basis stonden van wat later de auteurstheorie is gaan heten, waren zeker niet alleen in hun strijd voor de erkenning van film als kunstvorm. Wellicht voelde Bredschneyder zich ook gedwongen tot deze uitleg omdat de ideologie achter Het Zaterdagavondblad niet per se de zijne was, zoals uit onderstaande Flashback blijkt. Overigens viel het met de ‘armslag’ die hij daarin noemt helaas wat tegen: cultuur moet in het blad vaak wijken voor propaganda. Waar Bredschneyder vanaf de eerste editie van Het Zaterdagavondblad in februari 1947 vrijwel wekelijks een stuk schrijft, heeft hij rond de jaarwisseling 1947/1948 plotseling maandenlang geen enkele publicatie – de krant staat dan vol met oproepen om naar protestmarsen te komen, en vervolgens verslagen van die bijeenkomsten. Ook doordat het blad – voor het definitief wordt opgeheven – herhaaldelijk van naam verandert (achtereenvolgens Wereldeenheid, De Wereldfederalist en De Wereldburger) en soms wekenlang niet verschijnt, blijven Bredschneyders vervolgen meer incidenteel.
Naschrift Fred Bredscheyder
Plotseling kreeg ik meer armslag, zij het niet in De Tijd. Een collega-corrector vroeg me of ik een filmrubriek wilde verzorgen in een door hem te maken weekblad, dat Het Zaterdagavondblad zou gaan heten. Méér dan een aardige schnabbel zat er niet in, maar ondertussen…! Er was één probleem: het blad bleek het orgaan te worden van de Nederlandse Wereldfederalistenbeweging. Ging je daarin schrijven, dan werd, naar ik veronderstelde, op zijn minst van je verwacht dat je niet afwijzend stond tegenover de idealen, die door die beweging werden gekoesterd. Nu viel het mij niet moeilijk om me als lid van die beweging aan te melden, nadat ik de ‘bijbel’ van de Wereldfederalisten, Anatomy of Peace van Emery Reves had gelezen. Reves toonde immers overtuigend aan, dat het in de loop van de wereldgeschiedenis herhaaldelijk was voorgekomen, dat aan botsingen tussen soevereine eenheden een einde kwam op het moment, dat de soevereine macht van de strijdende groepen aan een hoger gezag werd overgedragen. Welnu, wanneer alle landen van de wereld hetzelfde zouden doen, hun soevereiniteit dus zouden overdragen aan een wereldvereniging, dan zou er nooit meer oorlog zijn. Zo eenvoudig lagen de zaken. Ik was het daar volkomen mee eens en bovendien leek het me een fluitje van een cent om zo’n wereldregering te formeren. Diep in mijn hart hoopte ik overigens, dat het nu ook weer niet al te snel voor elkaar zou komen. Het Zaterdagavondblad zou dan immers geen reden van bestaan hebben en dan was het gebeurd met mijn filmrubriek! Gelukkig echter sukkelde de wereld voorlopig nog zonder wereldregering door.
Uit: ‘Flashback: Herinneringen van Fred Bredschneyder’ #4, in de Filmkrant #103, juli/augustus 1990