Geschiedenis van de KNF

De KNF: ruim dertig jaar keuvelen en knokken

Tekst: Romy van Krieken en Robbert Blokland
Met medewerking van: Leo Bankersen, Hans Beerekamp, Saskia Legein, Bart van der Put en Hans Roze.

Op 31 maart 1982, ruim dertig jaar geleden, zag de Kring van Nederlandse Filmjournalisten het licht. Het primaire doel: het behartigen van de belangen van critici bij het uitoefenen van hun beroep. In de jaren en talloze aanvaringen met andere spelers uit het filmveld die volgden, lukte dit soms wel – en soms niet. Een globaal overzicht van de turbulente geschiedenis van de KNF.

Notaris Hans Roze was die bewuste dag nog niet vergeten. “Al kan ik u niet meer vertellen wat voor weer het bijvoorbeeld op 31 maart was”, verontschuldigde hij zich in 2007, toen de KNF 25 jaar bestond. “Als notaris zit je toch de hele dag in je kamer.”

Roze hield kantoor in een wit pand op de hoek van de Honthorststraat en de Jan Luijkenstraat, midden in het Amsterdamse museumkwartier. Het gebouw biedt tegenwoordig onderdak aan een nieuwe generatie: de jurist was in 2007 reeds met pensioen. “Ik kende Hans Beerekamp goed”, vertelt Roze. “Het was altijd een groot plezier om hem te zien. Hij had twee collega’s bij zich, die ik vooral herkende van naam.” De notaris houdt erg van films, dus hij had wel enige affectie met het onderwerp. “Ik kan me nog herinneren dat het een gezellige, gemoedelijke bijeenkomst was.”

Met de ondertekening van de notariële acte schreven Beerekamp, Pieter van Lierop en Frank Zaagsma geschiedenis: de Kring van Nederlandse Filmjournalisten zag het licht. Beerekamp memoreert desgevraagd dat de gemoedelijke sfeer volledig aan de jurist te danken was. “Hij weet uitstekend hoe hij het ijs moet breken en mensen nader tot elkaar moet brengen”, prijst de voormalig NRC-recensent Roze. “We zaten daar omdat er een beroepsvereniging moest komen, niet omdat we nou van die goede vrienden waren.”

Eind jaren zeventig: vogelvrij
Filmjournalisten waren eind jaren zeventig vogelvrij, stelt Beerekamp. “Een handvol was verbonden aan gezaghebbende dagbladen: die dekten hun mensen als ze in de problemen raakten. Maar het gebeurde niet zelden dat distributeurs dreigden met een boycot als freelancers iets zeiden of schreven dat hen niet beviel.” De KNF zou gaan voorzien in een financieel noodfonds, waarmee bijvoorbeeld een advocaat kon worden bekostigd – mocht het in een strijd met een distributeur ooit zo ver komen. Dat is volgens Beerekamp echter nooit daadwerkelijk gebeurd.

Dat was wel anders in de jaren veertig, toen een ‘vroege variant’ van de huidige KNF van zich liet horen. “De Nieuwe Rotterdamsche Courant, een van de voorlopers van NRC Handelsblad, was erg afhankelijk van advertenties van Rotterdamse bioscopen”, vertelt Beerekamp. Toen de recensenten naar de smaak van de theaters te kritisch werden, besloten zij twee jaar lang niet meer in de krant te adverteren. “Zulke rigoureuze sancties hebben we later niet meer meegemaakt.”

Die ‘oude KNF’, die als leden onder meer een S. Carmiggelt en een A. Koolhaas kende, was geen lang leven beschoren: na een paar jaar bloedde de vereniging dood. “De club leefde naar de oude idealen van de Filmliga’s”, legt Beerekamp uit. “Film was een spel van ritme, lijnen en vormen. Eigenlijk deden alleen de montage en het camerawerk er toe.” Wie lid wilde worden, moest bij de roemruchte filmpaus Janus Domburg mondeling examen doen. “Erelid Fred Bredschneyder is toentertijd bijna geweigerd omdat hij stelde dat hij tijdens het film kijken óók op de acteurs lette. Dat was een doodzonde in de ogen van Domburg.”

Begin jaren tachtig: stalinistisch onderscheid
Zó streng waren de toelatingseisen van de nieuw opgerichte KNF niet – al bestond er, officieel tot 2007, wel een onderscheid tussen A- en B-leden: fulltime en parttime filmjournalisten. De eerste groep betaalde 80 gulden contributie, de tweede slechts 50 gulden. A-leden hadden op de jaarvergadering drie stemmen, terwijl B-leden er slechts één hadden.

“Dat onderscheid is uit mijn boosaardige brein ontsproten”, grinnikt medeoprichter Pieter van Lierop. “Ik had enorme schrik dat de vereniging door de mensen van bladen als Skrien gekaapt zou worden en gebruikt zou worden voor politieke doeleinden. Zoals dat eerder gebeurde bij de Franse en de internationale variant. Die waren duidelijk stalinistisch, wat je terugzag in de prijzen die ze toekenden.”

Overigens werd er in de praktijk al lang geen onderscheid meer gemaakt tussen A- of B-leden. In 1992 besloot de ledenvergadering al tot opheffing van dit verschil: slechts uit zuinigheid heeft de officiële statutenwijziging tot 2007 op zich laten wachten.

Op de eerste jaarvergadering in het voorjaar van 1982 telde de KNF 39 leden. De vereniging werd als dertigste club toegelaten tot de FIPRESCI (Fédération Internationale de la Presse Cinématographique), de overkoepelende internationale organisatie voor filmjournalisten. In september 1982 reikte de KNF zijn eerste officiële prijs uit: tijdens de Nederlandse Filmdagen werd De smaak van water van Orlow Seunke bekroond als beste vaderlandse productie.

De eerste jaren: premièretelefoon
De vereniging realiseerde in de eerste jaren van haar bestaan een groot aantal verworvenheden. Er kwamen officiële perskaarten (zodat de journalisten gratis reguliere filmvoorstellingen konden bezoeken) en er werd een ‘premièretelefoon’ ingesteld: een door de Bioscoopbond ingesproken bandje dat iedere maandagmiddag kon worden beluisterd met informatie over de filmpremières van die week.

Een probleem dat 25 jaar lang als een rode draad door de KNF-annalen is blijven lopen, zijn de persvoorstellingen. Keer op keer werd er met de distributeurs gesteggeld over locaties, tijdstippen en de vraag óf er wel vertoningen gehouden moesten worden. Zo werd in 1987 geen ‘screening’ georganiseerd van Police Academy IV omdat distributeur Warner Bros. “aannam dat iedereen wel één of meerdere films uit de serie had gezien en een ‘preview’ van deel 4 dus weggegooid geld zou zijn”.

In de notulen van letterlijk álle jaarvergaderingen zijn de terugkerende klachten te lezen: ‘screenings’ die ná alle deadlines worden gehouden, drie voorstellingen per dag op evenzovele locaties, een beperkte zitplaatscapaciteit, de beschikbaarheid van slechts twéé persfoto’s – in zwart-wit nota bene – of het afschaffen van de broodjes tussen vertoningen in. “De centralisatie van de voorstellingen naar de Amsterdamse bioscoop Cinema International in de jaren negentig was een hele verbetering”, knikt voormalig KNF-bestuurslid Leo Bankersen. “Toen ik eind jaren zeventig over films begon te schrijven, was er nog geen centrale locatie. We bezochten allerlei zalen en soms piepkleine showrooms verspreid over heel Amsterdam. Cinema was een mooie, goed uitgeruste bioscoop met een grote zaal, goede projectie en veel beenruimte.”

Jaren negentig: Raad voor de Filmkritiek
De centrale Pathé-locatie aan het August Allebéplein sloot begin 2000 echter zijn deuren, zodat het weer uit was met de vastigheid voor filmjournalisten. Eerst liepen de critici zich suf tussen The Movies en het Ketelhuis, daarna probeerden ze tevergeefs te aarden in blokkendoos Pathé ArenA en sinds 2005 is eigenlijk weer elke denkbare variant mogelijk.

Het bezoeken van persvoorstellingen heeft anno 2015 weer veel weg van een dagelijkse odyssee door de hoofdstad. De filmperslijst, een door Erik Noomen en Robbert Blokland in het leven geroepen digitale nieuwsbrief die wekelijks alle persvoorstellingen op een rijtje zet, telt tegenwoordig twaalf verschillende locaties waar de journalisten heen moeten tuffen om de te recenseren films te kunnen zien.

Maar niet alleen met de distributeurs lagen de dames en heren filmcritici met regelmaat in de clinch. In 1983 luidde filmmaker Wim Verstappen de noodklok over de toenemende trend dat steeds meer filmjournalisten een functie zouden vervullen in ‘organen die filmsubsidies verstrekken’. Twee jaar eerder had Verstappen er al eigenhandig voor gezorgd dat er geen critici in de jury van het Nederlands Film Festival plaats mochten nemen, omdat hij vond dat zij “elke week al hun eigen filmprijs uitdeelden”.

De regisseur pleitte halverwege de jaren tachtig voor het oprichten van een Raad voor de Filmkritiek, die zou moeten beoordelen welke journalisten recensies mochten publiceren. Verstappen heeft zijn plan overigens nooit gerealiseerd, al bleef hij in de loop der jaren regelmatig commentaren leveren op de Nederlandse filmpers als die volgens hem weer iets stoms of juist verrassend slims had gemeld.

Aanvaringen met filmmakers
Een andere Nederlandse regisseur die frequent in aanvaring kwam met de vaderlandse journalisten was Theo van Gogh. Uit ontevredenheid over de ontvangst van zijn thriller Baby Blue plaatste de ‘enfant terrible’ van de Nederlandse filmwereld in januari 2001 op de voorpagina van Het Parool een grote advertentie waarin hij mensen opriep de ‘Baby Blue-informatielijn’ te bellen. Het nummer dat in dikke kapitalen onder de advertentie stond, bleek het privé-nummer te zijn van recensent Mark Moorman, die geen spaan heel had gelaten van de thriller. Volgens Moorman was dit “omdat alles aan de film hem irriteerde”; volgens de regisseur omdat de Parool-journalist hem “steevast een lul vond”.

Ook over de afloop van deze bizarre affaire verschilden de meningen. Volgens Van Gogh werd Moorman “keer op keer gebeld”, de recensent stelde achteraf dat hij slechts één telefoontje had mogen ontvangen. Niet dat dit de filmmaker er ook maar één moment van weerhield de pers op zijn website De Gezonde Roker aan te blijven pakken. De dag vóór zijn dood op 2 november 2004 verweet hij het ANP nog “de communiqués van rasoplichter San Fu Maltha zonder één kanttekening als nieuws te verkopen aan het onwetende publiek”.

Een ander curieus initiatief van Van Gogh was zijn publieke voorstel tot het instellen van de Ab Zagt-bokaal, een ‘wisselbeker ter ere van de domste filmrecensie van het jaar’. De potentiële prijs, die er nooit kwam, was vernoemd naar de criticus van het Algemeen Dagblad die Theo naar eigen zeggen “nog nooit één gunstige bespreking had gegund”. Overigens niet tot veel spijt van de regisseur, want “wat moet een filmer met een positieve recensie van een imbeciele stoethaspel?”.

De KNF treedt naar buiten
Opmerkelijk genoeg hadden de filmjournalisten zich een kleine twintig jaar eerder nog gemanifesteerd als heuse pleitbezorgers voor Van Gogh. Begin 1985 stuurde de KNF een brandbrief naar de organisatie van Cannes, omdat er naar de mening van de vereniging door de jaren heen veel te weinig Nederlandse producties in het hoofdprogramma te zien waren. Als mogelijke kandidaat voor dat jaar werd Een dagje naar het strand aangedragen, de tweede avondvullende productie van Theo van Gogh. Tevergeefs – al werd de film later wel geselecteerd voor het festival van Rimini.

Een jaar daarvóór behaalde de Kring wél een klinkend wapenfeit. In 1984 bestond nog de traditie om na de jaarvergadering met alle leden een bijzondere, nog niet in Nederland vertoonde film te kijken. Op het programma stond die keer meervoudig Oscarwinnaar The Right Stuff van Philip Kaufman, waarvoor op dat moment vreemd genoeg nog geen Nederlandse distributie was gepland. Alle aanwezige critici waren zó enthousiast over de productie dat er linea recta een smeekbede naar de Amerikaanse distributeur Warner Bros. werd gestuurd. Mét succes: een paar maanden later werd de film alsnog in Nederland uitgebracht.

Tijdens de Nederlandse Filmdagen van 1986 liet de KNF van zich horen door een internationaal journalistenseminar te organiseren. Het thema: Oorlog, collaboratie en verzet in de Nederlandse film. Tientallen gezaghebbende buitenlandse journalisten werden uitgenodigd voor het evenement, waar in vier dagen tijd alle Nederlandse titels werden vertoond die ooit over dat onderwerp waren gemaakt. De deelnemers kwamen uit twaalf verschillende landen, waaronder Israël en Australië. “Vooral Als twee druppels water van Fons Rademakers sloeg enorm aan”, herinnert NRC-journalist Beerekamp zich. “Allerlei buitenlandse bladen meldden die film als dé ontdekking van het seminar. Hij is daarna ook nog in meerdere landen vertoond.”

Op het filmfestival van Rotterdam werden later nog twee seminars georganiseerd: Facing Godzilla (1999), waar onder meer internetgoeroe Harry Knowles acte de présence gaf als vertegenwoordiger van de ‘nieuwe filmkritiek’, en Culture Shocks (2001), die zich boog over de vraag in hoeverre culturele verschillen de filmkritiek beïnvloeden.

De dood van een icoon
In 1989 overleed tijdens de galapremière van de Bond-film Licence to Kill in het Amsterdamse Tuschinski-theater op 70-jarige leeftijd KNF-lid Simon van Collem. Het heengaan van de televisienestor van de Nederlandse filmkritiek leidde tot een hoop opschudding onder collega’s. Televisiejournalist en KNF-lid René Mioch schreef een woedende brief aan het bestuur toen toenmalig KNF-voorzitter en Filmkrant-hoofdredacteur Jan Heijs zich na het verscheiden van Van Collem in de media laatdunkend over de overledene uitliet.

Zijn dood veroorzaakte nog een tweede rel toen – daar is hij weer – Theo van Gogh in zijn column in Het Parool op de voor hem zo kenmerkende bruuske wijze het medeleven-per-advertentie hekelde waarvan allerlei grote namen uit de Nederlandse filmwereld zich na de dood van Van Collem bedienden. Distributeurs Cannon (inmiddels ter ziele) en UIP trokken als reactie hun deel van de bioscoopladder en hun advertenties terug uit Het Parool zolang Van Gogh zijn dagelijkse stukje in die krant zou houden. De filmmaker dwong het medium niet tot het maken van een ‘Sophie’s choice’: hij stapte zélf op om het Amsterdamse dagblad een financiële strop te besparen.

De strijd om het creatief citeren
Eind jaren negentig deed zich, na een lange periode van betrekkelijke rust, een nieuw probleem voor in de gelederen van de filmpers: het ‘creatief’ citeren van recensies door distributeurs. In september 2000 kwam KNF-lid en Parool-journalist Bart van der Put in aanvaring met filmmaatschappij RCV toen deze een zinsnede uit zijn stuk over de romantische komedie Maybe Baby volledig uit de context gebruikte in haar reclamecampagne.

Het citaat “van aanstekelijke romantiek is geen sprake” was op de advertenties in de dagbladen verbasterd tot de aanzienlijk lovendere quote “aanstekelijke romantiek”. “Extra wrang was het feit dat de bewerkte passage juist een reactie was op de misleidende advertenties die een nieuwe Four Weddings and a Funeral beloofde”, legt Van der Put desgevraagd uit. “Die belofte werd geenszins waargemaakt.”

Een soortgelijk probleem deed zich drie jaar later voor met de romantische komedie My Big Fat Greek Wedding. KNF-lid en Nieuwe Revu-recensent André Nientied dreigde zelfs met juridische stappen als distributeur Independent ‘zijn’ quote “sprookje van het jaar” niet van haar reclamemateriaal zou halen. “De tekst die de filmmaatschappij citeerde had immers betrekking op het sprookje dat het leven van scenariste en hoofdrolspeelster Nia Vardalos op dat moment was”, stelde Nientied, die over de film zelf schreef dat hij “zo subtiel was als de Griekse keuken”. Independent bond in – en van Vardalos werd sindsdien weinig meer vernomen.

De nieuwe tijd 1: in de pas met de majors
In de nieuwe eeuw bereikte de KNF niet alleen een recordaantal leden (150 stuks in 2001), maar werden ook Nederlandse filmjournalisten, net als hun collega’s elders, door de oprukkende dreiging van illegale internetdistributie onderworpen aan steeds strengere veiligheidseisen tijdens screenings. De tijdsperiode tussen vroege persvoorstellingen en de releasedatum werd steeds korter, tot ergernis van vooral de maand- en weekbladen, die steeds vaker genoodzaakt waren films – veelal grote titels als Lord of the Rings of Harry Potter – dan maar níet te bespreken.

Ook de veiligheidseisen waarmee de filmindustrie de piraterij op internet tegen probeerde te gaan, namen na 2003 idiote proporties aan – hoewel geen enkele distributeur ooit enig bewijs heeft kunnen overleggen dat de Nederlandse filmpers verantwoordelijk is geweest voor het lekken van illegale kopieën. Veel critici zouden graag harder stelling willen nemen tegen het wantrouwen vanuit de distributeurs: het inleveren van telefoons of bewakers met nachtkijkers in de zaal werd in de periode 2010-2015 eerder regel dan uitzondering. Maar een echt alternatief lijkt er niet te zijn: dit zijn de ijzeren disciplines die grotendeels door Amerikaanse majors worden opgelegd. Bij excessen protesteert de KNF, vaak met succes: na een incident bij de persvertoning van The Hunger Games in 2012 worden journalisten niet meer gefouilleerd en worden tassen niet meer doorzocht. Ditzelfde geldt voor protesten tegen het extreem laat vertonen van grote titels: de viewing van bijvoorbeeld Jurassic World werd in 2015 vervroegd nadat Universal de Nederlandse filmpers wilde afschepen met een vertoning die vrijwel gelijk viel met de release.

Een ander punt dat regelmatig terugkeert op de digitale discussiegroep van de KNF en in overlegsessies met de distributeurs is het hanteren van embargo’s. Dat voor grote Amerikaanse titels een tijdelijke zwijgplicht wordt afgedwongen, is niets nieuws meer. Maar steeds vaker gaan ook vertoningen van Nederlandse producties gepaard met deze restrictie. Deze trend wordt in de hand gewerkt door sommige dagbladen, die in de race om primeurs besloten soms twee weken van tevoren al recensies van nieuwe titels te plaatsen. Distributeurs en producenten verweten de Nederlandse critici publiekelijk hiermee een negatieve sfeer te creëren rond afgekraakte titels als Het bombardement van Ate de Jong (2012) en Kenau van Maarten Treurniet (2014), allebei titels die aan de kassa niet deden wat de makers hadden verwacht.

Mijlpaal: een kwart eeuw KNF
In april 2007 vierde de KNF haar eerste zilveren jubileum. Dit heuglijke feit werd gevierd met een een filmavond in het Ketelhuis, een feest en een jubileumkrant, die als bijlage bij de Filmkrant werd verspreid. Deze special bevatte een lang overzicht van de roemruchte geschiedenis van de KNF, een profiel van ‘de’ Nederlandse filmjournalist, interviews met de vijf ereleden die aan de wieg stonden van de organisatie én cartoons van striptekenaars als Flo de Goede en Jean-Marc van Tol. De bijlage is als pdf hier te downloaden.

Op de goedbezochte filmavond was de Duitse regisseur Christian Petzold (Yella, 2007) te gast. In een speciale jubileumverkiezing onder (oud)leden van de beste films van de afgelopen 25 jaar kwamen GoodFellas (1990) van Martin Scorsese, Donnie Darko (2001) van Richard Kelly en Fight Club (1999) van David Fincher als beste uit de bus. De top 10 werd gedurende de feestweek vertoond in het Ketelhuis, met inleidingen door KNF-leden.

Notaris Hans Roze, die in 1982 de oprichtingsstatuten ondertekende, stelde in een interview in de jubileumkrant het bijzonder te vinden dat de beroepsvereniging na 25 jaar nog steeds bestaat. “Niet dat ik toentertijd geen vertrouwen had in de club, de oprichters of hun motieven”, voegt hij daar meteen aan toe. “Integendeel. Maar u wilt niet weten hoeveel stichtingen een stille dood sterven zodra de geestelijke vaders de organisatie verlaten. Als de andere leden niet 25 jaar lang diezelfde passie en noodzaak hadden gevoeld als die drie mannen toen deden, was er nu ongetwijfeld niets te vieren geweest.”

De nieuwe tijd 2: meer naar buiten treden
De KNF probeert zichzelf de laatste jaren weer wat meer in de kijker te spelen. De pas van bioscoopbond NVB werd in 2013 ingeruild voor een eigen KNF-pas waarmee leden in alle Nederlandse bioscopen vrijkaarten kunnen krijgen. De KNF-perskaart wordt ook door bijvoorbeeld de Amerikaanse ambassade geaccepteerd bij de aanvraag van een werkvisum.

Op de website www.filmjournalisten.nl, het digitale uithangbord van de organisatie, zijn statuten, jaarverslagen en verslagen van KNF-activiteiten te vinden, naast een besloten gedeelte waar leden onder meer de embargorichtlijn van de KNF kunnen vinden. In de besloten e-mailgroep vinden met regelmaat energieke discussies plaats over alle facetten van het vak: van embargo’s en restricties tot de soms arctische temperaturen in de screeningruimtes, van Fipresci tot het verdwijnen van de broodjes tussen screenings (iets dat vroeger wél standaard het geval was).

Sinds 2011 vindt elk jaar in het voorjaar een bijeenkomst plaats met het bestuur van de KNF en de dames en heren van de persafdelingen van alle distributeurs. Hier worden in alle openheid lopende zaken, eventuele discussiepunten over screenings of recensies en wat verder nog ter tafel komt besproken. Beide partijen spreken van een “zeer vruchtbare traditie”.

Films van het jaar
Na al vanaf de jaren tachtig prijzen te hebben uitgereikt op de filmfestivals van Utrecht en Rotterdam, kozen de Nederlandse filmjournalisten in 2003 voor het eerst de beste film van het jaar. Een pilotverkiezing verliep nog via de officieuze filmperslijst: dat de (overigens met een Oscar bekroonde) animatiefilm Finding Nemo won, leidde in verschillende landelijke dagbladen tot felle debatten over de al dan niet afkalvende waarde van de ‘serieuze Nederlandse filmkritiek’.

Maar vanaf 2004 geschiedde de verkiezing officieel onder auspiciën van de KNF. De winnaars waren achtereenvolgens Gegen die Wand, Sin City, Caché, Das Leben der Anderen, The Dark Knight, Let the Right One in, Un Prophète / Toy Story 3, Drive, Amour, La Grande Bellezza, Boyhood en Son of Saul. Als beste Nederlandse films werden verkozen Cloaca, Simon, Guernsey, Nachtrit, Alles is liefde, Oorlogswinter, Kan door huid heen, Schemer, Rabat, Kauwboy, Borgman, Aanmodderfakker en Bloed, zweet & tranen. De uitslag, die steevast bekend wordt gemaakt in de week tussen kerst en nieuwjaarsdag, wordt elk jaar breed opgepikt in de landelijke media.

Toen het aantal leden in eerste jaren van de nieuwe eeuw terugliep, door pensionering of overlijden van oude rotten, heeft het bestuur zijn best gedaan om een brug te slaan naar de nieuwe generatie Nederlandse filmjournalisten. En met succes: met handhaving van professionele toelatingseisen, heeft de KNF het jaar 2015 afgesloten met 136 leden. En alle podia binnen het filmjournalistieke spectrum zijn vertegenwoordigd: van dagbladen (NRC, Parool, AD, Trouw, Volkskrant) tot tv-gidsen (Veronica, Tros-bladen), van radioprogramma’s (VPRO) tot websites (NU.nl, Filmtotaal, Film1), van maandbladen (Filmkrant) tot magazines (CJP).

Deze ‘Geschiedenis van de KNF’ is gebaseerd op een artikel dat in 2007 is verschenen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten. In 2015 is het artikel bewerkt en aangevuld door de oorspronkelijke auteurs.